22
jaar is Al Anderson zanger/gitarist in NRBQ, maar als hij eind 1971
tot die boogieband toetreedt heeft hij al een flink muzikaal
verleden. De eerste opnamen van de 10-jarige Little Al dateren zelfs
van 1957. Na een aantal schoolbands richt Anderson – dan al ‘Big
Al’ – in 1966 in woonplaats Winsor, Connectitcut Wildweeds op.
Wildweeds scoren lokale hits met hun populaire popsoul. In 1969 keert
Anderson terug naar zijn oude liefde: country. Na een flinke
bezettingswijzing nemen Wildweeds hun debuutalbum op in New York met
behulp van gelouterde Nashville-muzikanten als Charlie McCoy en
Weldon Myrick. Het resultaat is een uitstekend in het gehoor liggende
mengeling van elektrische folk en laidback countryrock. Anderson is
de schrijver van fraaie liedjes als ‘Baby Please Don’t Leave Me
Today’, ‘Mare, Take Me Home’ en het prachtig droeve ‘An
Overnight Guest’, die alle genoeglijk tegen de mellow
Westcoast-countryrock aanschurken.
Wildweeds,
het enige album, is echter helaas nogal ondergesneeuwd door Andersons
focus op NRBQ en diens imposante verdere muzikale carrière.
Posts tonen met het label folkrock. Alle posts tonen
Posts tonen met het label folkrock. Alle posts tonen
woensdag 5 maart 2014
Wildweeds | Wildweeds
donderdag 29 augustus 2013
The Beau Brummels | Triangle
Het
is nog maar 1967, de popmuziek staat in de kinderschoenen, en The
Beau Brummels zijn reeds toe aan hun tweede carrière. Al een
jaar na hun oprichting in 1964 hadden The Beau Brummels, dan een
vijftal, een trits nationale hits waarvan het Beatleske 'Laugh,
Laugh' de
grootste was. De Britse popmuziek – onder aanvoering van The
Beatles, The Searchers en The Yardbirds – heeft dan, in 1965, vaste
voet gekregen op Californische bodem. The Beau Brummels, vernoemd
naar een 19e
eeuwse Britse zot, krijgen volop ondersteuning van Tom Danahue van
Autumn Records, een platenlabel uit San Francisco en een zwarte
discjockey, genaamd Sylvester Stewart, oftewel Sly Stone. Stewart
produceert zelfs de eerste twee succesvolle lp’s van de band. The
Beau Brummels treden op in tv-shows, worden geportretteerd in The
Flintstones en doorkruisen Amerika van oost naar west. The Beau
Brummels zijn hot. Maar dan gaat Autum Records failliet en worden
alle banden van onuitgebrachte opnamen overgedragen aan een obscuur
label. En dat zou, anno 1966, het einde van het verhaal zijn: exit
Beau Brummels. Maar dat bleek nog maar het begin te zijn.
De
band, gereduceerd tot trio, sluit zich op in een studio en oefent en
experimenteert met nieuwe muziekvormen. Binnen de tijspanne van een
jaar evolueren The Beau Brummels van Amerikaanse copycats van de
British Invasion-sound naar enigmatische en oorspronkelijke
folkrockers. The Beau Brummels vinden op Triangle een nieuw
genre uit. Zoals het trio – Ron Elliott (op de hoes van Triangle
met één t), Sal Valentino en Ron Meagher – folk,
country, music hall en embryonale psychedelica weet te mengen tot een
nouveauté nooit eerder vertoond, is ronduit fascinerend,
adembenemend zelfs. Op Triangle boren The Beau Brumels nieuwe
gronden aan die vast verankerd zullen blijven in de popmuziek van de
toekomst, let wel, geredeneerd vanuit 1967, het jaar van verschijnen
van het fabuleuze Triangle.
De
trio-bezetting is geen beperking; door de arrangementen van Ron
Elliott, de op zichzelf toegesneden vocale arrangementen van zanger
extra-ordinaire Sal Valentino en de voor die tijd volle en heldere
productie van Lenny Waronker had Triangle
door een grotere bezetting gemaakt kunnen zijn en ja, zelfs tien jaar
later opgenomen kunnen zijn. Triangle
is dan ook een uitnemend voorbeeld van het ten volle benutten van de
aanwezige studiotechnieken anno 1967. In die zin kan Triangle
in retrospect dan ook beschouwd worden als een state
of the art kunstwerk; zijn tijd op dat
moment ver vooruit, avantgardistisch in zijn majestueuze eenvoud. De
basis is akoestische softrock; droog en subtiel baswerk, shuffelende
drums, akoestische gitaren in alle soorten en bovenal de dramatische,
vibrerende en duistere stem van unicum Sal Valentino. Unicum, want
weinigen bezitten de zeggingskracht en verbeelding die gegenereerd
wordt door de hemelse stembanden van de tovenaar uit San Francisco.
De strijkers, banjo’s en het klavecimbel van Van Dyke Parks
vervolmaken het klankbeeld en zetten kracht bij aan de compacte, maar
o zo rijke composities. De elf nummers komen zelden boven de drie
minuten – de speelduur van Triangle
is nog geen half uur –, maar dat is geen bezwaar want in die
beperkte speelruimte ontvouwt zich een volledig universum waarin
blinde schilders, zwaar wegende hamers, tijdbewakers en fluwelen
wolven figureren. Naast de melodieuze en tegelijk melancholieke
composities van Ron Elliott zijn er in de vorm van 'Nine
Pound Hammer' en 'Old Kentucky Home'
covers opgenomen van respectievelijk Merl Travis (of althans in diens
arrangement) en Randy Newman. Maar het zijn vooral Elliotts 'Only
Dreaming Now' (met prachtige
strijkers), 'Painter
Of Women' en 'The Wolf Of Velvet Fortune'
die, voorzien van Valentino’s sensitieve en tegelijk macho
stemgeluid, Triangle tot een revolutionaire plaat maken. Met Triangle
wordt geschiedenis geschreven, folkrock is een feit.
De
studioband die The Beau Brummels dan zijn, slinkt verder tot het duo
Elliott/Valentino. In die samenstelling wordt het uitstekende
countryrock-album Bradley’s Barn gemaakt. Dan scheiden de
wegen van Elliott en Valentino zich. Ron Elliott maakt vervolgens een
legendarische solo-lp, The Candlestickmaker en richt de groep
Pan op die verdienstelijk debuteert met het gelijknamige album.
Valentino ondertussen verliest zich in drugs en gaat deel uitmaken
van de hippieband Stoneground. En dan, in 1974 komen de wegen weer
samen. Na een live optreden besluiten alle oorspronkelijke Beau
Brummels een comebackplaat op te nemen. Zo geschiedt. In 1975
verschijnt het gelijknamige en vijfde album van The Beau Brummels.
Een uitstekende plaat, opgetrokken uit subtiele countryrock en een
meer dan waardig slotakkoord.
Are
You Happy? / Only
Dreaming Now / Painter Of Women / The Keeper Of Time / It Won’t Get
Better / Nine Pound hammer / Magic Hollow / And I’ve Seen Her /
Triangle / The Wolf Of Velvet Fortune / Old Kentucky Home
zaterdag 24 augustus 2013
Carol Of Harvest | Carol Of Harvest
A song
of the good green grass / A song no more of the city streets / A song
of the farms / A song of the soil of the fields. De
inspiratie komt van de 19e eeuwse Amerikaanse dichter Walt Whitman;
de context is het hippie-Duitsland van de jaren zeventig: Atomkraft?
Nein Danke.
The Ramones en The Sex Pistols hebben de boel al flink opgeschud,
maar niet in Nürnberg, West-Duitsland, blijkens het debuutalbum
van Carol Of Harvest. Gitarist en componist Axel Schmierer besluit
een met een clubje mede-scholieren en vrienden een band op te
richten; de 16-jarige Beate Krause vinden ze bereid de zangeres te
worden van hun band. Ondanks hun totale onervarenheid en amateurisme
is het piepkleine Brutkasten-label geïnteresseerd in Carol Of
Harvest. In 1978 nemen de vijf jongelingen een plaat op die de
grootsheid van Fairport Convention, Genesis en King Crimson in zich
verenigt. Het zelfgetitelde Carol
Of Harvest is
in 1978, in weerwil van de punk-overweldiging, een oase van pastorale
pracht waarin moog en mellotron voor sfeer zorgen en Schmierers
gitaarsolo's voor pure extase. Carol
Of Harvest bevat
maar vijf songs, maar wordt derhalve wel overheerst door de
uitgesponnen tracks die wegwieken op de vleugels van engelen. Zowel
'Put On Your Nightcap' (16 minuten) op kant 1 als 'Somewhere At The
End Of Our Rainbow' en 'Try A Little Bit' op kant 2 zijn
schoolvoorbeelden van feërieke prog in optima forma: zwevend,
pastoraal en afgetopt met werkelijk fenomenale, ongeëvenaarde
gitaarsolo's van Axel Schmierer.
Tweehonderd
exemplaren zijn er in 1978 geperst van Carol
Of Harvest,
welke zonder uitzondering door de vergetelheid zijn opgeslokt. De
band deed nog een paar optredens, maar vanwege het gebrek aan
belangstelling richtten de bandleden zich op een ander leven, zich
toentertijd niet realiserend dat hun album beschouwd zou worden als
de Heilige Graal van de jaren zeventig progressive folk.
Put On
Your Nightcap / You And Me / Somewhere At The End Of Our Rainbow /
Treary Eyes / Try A Little Bit
dinsdag 28 mei 2013
Morning | Morning
Na
het uiteenvallen van de band die Forever Changes heeft
voortgebracht, formeert Arthur Lee in augustus 1968 een nieuwe Love.
Jay Donnellan is de gitarist in deze Love-versie en is met zijn
psychedelische spel zeer prominent aanwezig op Four Sail en
Out There. Als Arthur Lee zijn bandleden opnieuw ontslaat
trekt Jay Donnellan zich vanuit Los Angeles terug naar de heuvels van
de San Fernado Valley, neemt de naam Jay Lewis aan en richt met twee
vrienden The Morning And The Evening op. Het drietal – Lewis
(gitaar, banjo), Jim Hobson (piano, orgel) en Barry Brown (gitaar,
drums) – richt een provisorische studio in met de nogal
pretentieuze naam The Recording Studio Inc. en houdt zich als een
ware hippiefamilie de hele dag bezig met muziek maken. Vrienden komen
erop af en omgekeerd evenredig met de verkorting van de bandnaam in
het eenvoudige Morning, dijt de band uit tot een collectief van zes
personen. Lewis, Hobson en Brown vormen echter de kern van Morning;
zijn verantwoordelijk voor teksten, muziek en productie – en de
prachtige harmonieuze samenzang. Hoewel het trio hun artistieke
vrijheid wil behouden, tekenen ze toch bij grote platenmaatschappij
Vault.
Op de zelfgetitelde debuut-lp, die in Engeland op Liberty
verschijnt, bestaat Morning naast het trio uit Terry Johnson
(gitaar), Jim Kehn (zang, gitaar, drums) en Bruce Wallace (bas). Er
is bovendien een gastrol voor pedal steelspeler Al Perkins. Dit
collectief heeft met Morning een prachtige, zweverige
countryrockplaat gemaakt. De band heeft alle typische
Westcoast-sounds in zich verenigd: Byrdsy folkrock, Moby
Grape-achtige psychedelica en Crosby, Stills & Nash-harmoniën.
Zodoende koppelt het organische countryrock aan slaperige,
meerstemmige folkrock. ‘Angelena’ is zo’n folky liedje, met
prachtige zang en tinkelend pianospel, evenals ‘Easy Keeper’ en
‘As It Was’. ‘Roll ‘Em Down’ en ‘It’ll Take Time’
zijn klassieke countryrocksongs van het soort waar The Eagles later
furore mee zullen maken, terwijl de pychedelische pop van ‘Early
Morning’ en het barokke ‘And I’m Gone’ voor een nog rijker
klankbeeld zorgen. Maar er is nog meer. De plaatkanten sluiten
namelijk beide af met adembenemende miniatuurtjes. Kant 2 met het
schitterende countryliedje ‘Dirty Roads’ en kant 1 met het
hoogtepunt van dit album; de pure magie van bitterzoete samenzang en
het welhaast vloeibare elektrische gitaarspel van Jay Lewis in
‘Sleepy Eyes’. Morning heeft echter geen enkel succes, net
zo min als de fraaie opvolger Struck Like Silver (1972), met
als gevolg dat Morning voor altijd tot de obscuriteit gedoemd lijkt
te zijn.
Angelena
/ Early Morning / Tell Me A Story / Easy Keeper / Roll ‘Em
Down / Sleepy Eyes / New Day / As It Was / Time / It’ll Take Time /
And I’m Gone / Dirt Roads
woensdag 22 mei 2013
Mayfly | Mayfly
Een
ontmoeting op het Plein in Bergen, Noord Holland, is in 1969 het
begin van de legendarisch folkgroep Mayfly. Legendarisch, omdat het
bij een lp zal blijven en de groep wegens gebrek aan succes zichzelf
in 1974 alweer opheft. Die ene lp, het eponieme Mayfly,
uitgebracht in 1972 is een wonderschone, sprookjesachtige folkplaat
die én het tijdsbeeld prachtig weergeeft én de tand des
tijds moeiteloos heeft doorstaan.
Ontdekt
door Jaap Hos van het Alkmaarse Lowland Trio ('Ik Kan Geen Kikker Van
De Kant Af Duwen') en getekend door Ariola's Evert Wilbrink, tevens
recensent bij de Veronica-gids, nemen Maarten en Ide Min, Gustaaf en
Onno Verburg, Arie de Geus, Rinus Groeneveld en Huub Nijhuis in Den
Haag hun album op. Hoewel de sound van Mayfly voornamelijk akoestisch
is, is het rijk georkestreerd met cello, viool, blok- en dwarsfluit,
saxofoon, piano en allerlei gitaren: akoestisch, 12-snarig en
elektrisch. De composities zijn voortreffelijk en van een lyrische
pracht; combineren pastorale folk met beatleske melodielijnen.
Ronduit schitterend zijn 'From Now On', 'Dawn Of An Old Man's Life',
'Lemoncake' en 'The Stable', maar de overige, betoverende liedjes
doen er weinig voor onder. Vanzelfsprekend plugt de Veronica-gids de
Mayfly-lp stevig – en terecht – maar wegens visueel niet bijster
aantrekkelijke optredens delft Mayfly jammerlijk het onderspit tegen
bands als Kayak, Alquin en Solution. Eén prachtig album levert
het op, een album dat decennialang in de vergetelheid vertoeft, maar
dat in 2011 een cd-release krijgt op het Koreaanse Big Pink-label.
From
Now On / Symptons Of Summer / 'Dawn Of An Old Man's Life / The Smell
Of It / Lemoncake / The Stable / Intermezzo / Secondhand Dream / Blue
Sofa / She Leaveth Me / Topless Bertha
vrijdag 15 maart 2013
The Parson Red Heads | Yearling
Het spreekt bijna vanzelf dat The Parson Red Heads geleid worden door een
roodharig koppel: Evan en Brette Marie Way. Opgericht in 2003 in
Eugene, Oregon door zanger-gitarist Evan, drummer Brette Marie en
jeugdvriend Sam Fowles (leadgitaar), verhuist de band in 2005 naar
Californië om hun muzikale droom na te jagen. Dat is ook, gelet
op invloeden en voorliefdes, waar The Parson Red Heads thuishoren;
aan de Westcoast, ergens tussen de jaren zestig folkrock en jaren
zeventig countryrock. The Byrds en The Flying Burrito Brothers dienen
als iconische voorbeelden, en ook de retro-countryrock van The
Jayhawks en Whiskeytown heeft zijn sporen nagelaten in de op
rinkelende gitaren en harmoniezang gebaseerde liedjes van The Parson
Red Heads.
In
2007 verschijnt dan het debuut Giraffe,
maar het brengt de band succes noch een doorbraak in het beloofde
land (lees: Los Angeles). Een
ervaring rijker keert de band terug naar Oregon en nestelt zich in de
muziekscene van Portland. Daar ontstaat een contact met Chris Stamey
die de band uitnodigt voor opnamen in North Carolina – maar ook in
Los Angeles – met hem als producer en de fameuze Mitch Easter als
engineer. Het resultaat is
Yearling,
een zelfverzekerd en majestueus album waarop tussen orgel, pedal
steel en akoestische en elektrische gitaren in prachtige liedjes
vooral de meerstemmige zang schittert. Superieur is dan ook de Byrdsy
folkrock van 'Hazy Dreams' en “Seven Years'; de British
Invasion-pop van 'I Was Only'; de countryballad met jankende steel
'Hard To See The Light'; de scheurende elektrische gitaar in het
countryrockende 'Time Is Running Out'; en het schitterende
slotakkoord 'Banking On The Sun'.
The
Parson Red Heads hebben met Yearling
een
klassieker afgeleverd in het contemporaine
folkrock/countryrock-genre, maar in 2011 wordt het voortreffelijke
album totaal niet opgemerkt. In 2013 probeert de band het opnieuw, nu
met zes bonustracks toegevoegd aan het origineel. Een moedige poging
een ouderwets klinkend, maar geniaal folkrock- en countryrockalbum
aan de man te brengen. Waarschijnlijk – ondanks de evidente pracht
van Yearling
– mislukt deze missie jammerlijk.
Burning
Up The Sky / Hazy Dream / When You Love Somebody / Unemotional / Time
Is Running Out / Seven Tears Ago / Kids Hanging Out / Happy We Agree
/ Hard To See The Light / I Was Only / Banking On The Sun
donderdag 7 februari 2013
Cosmic Rough Riders | Panorama
De
eerste akkoorden maken meteen duidelijk waar we hier mee te maken
hebben. Dit is klassieke, rinkelende pop in de trant van The Byrds en
de Teenage Fanclub van Songs From Northern Britain (1997).
De veelstemmige zang en tinkelende Rickenbackers smaken goed, en
smaken naar meer. Dit album is een goudeerlijk product, sterker nog,
Panorama is een werk van kwaliteit en creativiteit van jonge
topmuzikanten met het hart op de juiste plaats.
Cosmic
Rough Riders bestaat uit Stephen Fleming en Daniel Wylie, twee
singer-songwriters uit Glasgow, Schotland. Panorama is de
opvolger van het debuut Deliverance (1999)
en is volgepropt met
fantastische liedjes, met heerlijke nazomerende liedjes. Meezingen en
meedeinen is onvermijdelijk als je luistert naar deze blinkende
composities. De toonzetting is open; akoestische gitaren,
pianomotiefjes en aardse samenzang. Als The Byrds anno 1967 nog
bestonden dan zouden ze absoluut klinken als de Cosmic Rough Riders
dat anno 2000 doen. Sommige nummers hebben een Oosters tintje,
andere zijn versierd met mandoline, viool en Hammond. Rijke
schakeringen en uitstekende productie vervolmaken deze werkelijk
fantastische indie-cd. Titels noemen is overbodig omdat hiermee
bepaalde nummers boven andere gesteld worden en dat zou het totale
product tekort doen. Om de dingen simpel te houden is het voldoende
om te constateren dat de Cosmic Rough Riders met Panorama een
ongelofelijk goeie plaat hebben afgeleverd.
Op
zich is het dik verdiend dat Alan McGee van voorheen Creation de
Cosmics vrij snel tekent voor zijn nieuwe label Poptones, maar helaas
heeft hij de band kapot vermarkt. Het Poptunes-debuut Enjoy The
Melodic Sunshine (2000) is
louter een compilatie van Panorama en
Deliverance en op Too
Close To See Far lijken Wylie
en Fleming hun kruit al verschoten te hebben, met een ontbinding van
de Cosmic Rough Riders als gevolg. Enfin, Panorama is
the real deal.
Revolution
(In The Summertime) / Have You Heard The News Today? / Brothers
Gather 'Round / The Gun Isn't Loaded / Value Of Life / You've Got Me
/ Afterglow / The Pain Inside / The Charm / I Call Her Name / The
Loser / Can't Get Any Closer / To Be Someone / Back Home Again
zaterdag 17 november 2012
10,000 Maniacs | In My Tribe
In
My Tribe is
niet alleen 10,000 Maniacs' beste, maar ook meest bijzondere album.
Het betekent in 1987 een doorbraak voor de band uit Jamestown, New
York. Er zijn bescheiden hits in 'LikeThe Weather' en 'What's The
Matter Here?', maar de kracht van
In My Tribe
zit dieper verscholen.
10,000
Maniacs, gecentreerd rond Natalie Merchant, lift in het midden van de
jaren tachtig mee op de successen van Amerikaanse gitaarbands als
R.E.M. en het fenomeen college rock. In 1984 tekent 10,000 Manics –
losjes vernoemd naar een cultfilm – bij folkrocklabel Elektra en
weet producer Joe Boyd te strikken voor het major debuut The
Wishing Chair en
vervolgens legende Peter Asher (o.a. James Taylor en Linda Ronstadt)
voor de opvolger In
My Tribe. 10,000
Maniacs genereert een bijzondere sound die de southern-indie
van R.E.M. combineert met de Britse folkrock van Fairport Convention.
Op In
My Tribe komt
dit vooral tot zijn recht in jengelende, countryeske folkrockliedjes
als 'Hey Jack Kerouac', 'Don't Talk' en het epische 'The Painted
Desert' – een ode aan het overweldigende Amerikaanse landschap.
'Verdi Cries' is voorts een superieure ballad die Sandy Denny in
herinnering roept, 'A Campfire Song' herbergt een korte Michael Stipe
cameo en de cover van Cat Stevens' 'Peace Train' een live-favoriet
die aanvankelijk een comfortabel plekje krijgt op In
My Tribe.
Aanvankelijk, want als Cat Stevens – tot de islam bekeerd – zich
achter de fatwa tegens Salman Rushdie schaart, verwijdert platenlabel
Elektra de track van het album..
Ook
zonder 'Peace Train' is In
My Tribe nog
steeds een fraai jaren tachtig folkrockalbum van een band die niet
meer beter zal worden. Temeer daar de ziel van de band, zangeres en
componiste Nathalie Merchant, 10,000 Maniacs in 1993 vaarwel zegt.
What's
The Matter Here?/ Hey Jack Kerouac / Like The Weather / Cherry Tree /
The Painted Desert / Don't Talk / Peace Train / Gun Shy / My Sister
Rose / A Campfire Song / City Of Angels / Verdi Cries
zondag 7 oktober 2012
The Youngbloods | Elephant Mountain
Aanvankelijk
een folkduo – Jesse Colin Young en Jerry Corbitt – dat de
koffiehuizen afstruint van New York, groeien The Youngbloods in 1966
uit tot een band bestaande uit vier muzikanten. Hun folkrock vertoont
overeenkomsten met mede-New Yorkers The Lovin' Spoonful, maar
ontevreden over hun ontwikkeling verhuizen The Youngbloods in 1968
naar San Francisco. Daar neemt de band zonder Corbitt maar met
producer Charlie Daniels hun derde album op. Deze plaat, Elephant
Mountain,
wordt het grootste succes van The Youngbloods – en is ook het beste
album van de band. Op Elephant
Mountain vermengen
ze folk, pop, soul en jazz, waardoor het geluid, getuige songs als
'Sunlight' en 'Quicksand' richting Love gaat. Los van die
vergelijking is Elephant
Mountain een
afwisselend folkrockalbum waarop de invloed van San Francisco's
acidrock gek genoeg afwezig is. Een uitzondering hierop is het
briljante 'Darkness, Darkness' dat met zijn folky melodie en
psychedelische gitaarsolo een soort van klassieker is. Dat is het
album ook; met Elephant
Mountain bereiken
The Youngbloods zonder meer hun
finest hour.
Darkness,
Darkness / Smug / On Sir Francis Drake / Sunlight / Double Sunlight /
Beautiful / Turn It Over / Rain Song / Trillium / Quicksand / Black
Mountain Breakdown / Sham / Ride The Wind
zondag 23 september 2012
The Grassroots | Let’s Live For today
Philip
F. Sloan en Steve Barri zijn in 1964 in dienst als songschrijvers bij
Lou Adlers Dunhill Records, maar twee jaar later hebben ze hun eigen
folkrockband: The Grassroots. Ze scoren een aantal flinke hits en
besluiten dan dat er een echte band moet komen. Enter Rob Grill
(zang, bas), Warren Entner (gitaar), Creed Bratton (gitaar) en Rick
Coonce (drums). Ze hebben in 1967 gelijk al een wereldhit, niet met
een Sloan/Barri-compositie maar met een uit het Italiaans vertaald
liedje: 'Let's Live For Today'. Met producer Steve Barri scoren The
Grassroots een hele serie hits met harmonieuze popsongs die zwaar
leunen op samenzang en folkrock-gitaren. Het spreekt vanzelf dat op
het debuutalbum Let's
Live For Today al
deze aanstekelijke, zonnige Sloan/Barri-composities te vinden zijn –
'Things I Should Have Said', 'Wake Up, Wake Up', 'Tip Of My Tongue'.
Opvallend is dat de bandcomposities – opgetuigd met fuzzgitaren en
klavecimbel – niets onderdoen voor de hits. Samengevoegd maakt dit
van Let's
Live For Today een
prachtig album waarop anglofiele pop, Westcoast folkrock en
psychedelica-light een perfect verbond smeden.
Things
I Should Have Said / Wake Up, Wake Up / Tip Of My Tongue / Is It Any
Wonder / Let's Live For Today / Beatin' Round The Bush / Out Of
Touch / Won't You See Me / Where Were You When I Needed You / No Exit
/ This Precious Time / House Of Stone
zaterdag 2 juni 2012
Gene Clark | Gene Clark And The Gosdin Brothers
De eerste solovlucht van Gene Clark vond niet plaats onder een gunstig gesternte. Columbia Records lanceerde Younger Than Yesterday van The Byrds namelijk in dezelfde week als het debuut van de ex-Byrd. De tijd, ’66-’67, was sowieso niet rijp voor lp’s van solo-artiesten als Clark; alle aandacht ging uit naar The Beatles, The Rolling Stones, The Monkees en The Byrds. Na anderhalf jaar en twee lp’s had Gene Clark The Byrds verlaten: ‘It was time to make an album on my own.’ Clark heeft muzikale ideeën te over, en was met zijn engelachtige stem, weergaloze melodiewendingen en poëtische teksten een bepalende factor in The Byrds. Manager Jim Dickson koppelt Clark voor de harmoniezang aan countryartiesten Vern en Rex Gosdin, en met hen komt gitarist Clarence White mee. Chris Hillman, Michael Clarke en gitarist Bill Rhinehart (van The Leaves) completeren in eerste instantie het gezelschap, dat in de herfst van 1966 de basistracks voor Clarks solo-album gaat opnemen in de Columbia Recording Studio aan Sunset Boulevard. Maar later brengt Dickson nog veel meer sessiemuzikanten in: Earl Palmer (drums), Glen Campbell (gitaar), Van Dyke Parks (keyboards), Doug Dillard (elektrische banjo) en een 32 leden tellend orkest – onder leiding van Leon Russell. Dit orkest en Russells prachtige arrangement wordt ten volle uitgebuit op het barokke hoogtepunt van Gene Clark And The Gosdin Brothers: ‘Echoes’. Een meesterlijke compositie, prachtig uitgevoerd en een van de miskende klassiekers van de popgeschiedenis. ‘Echoes’ laat zich vergezellen door nog meer typerende Clark-composities, zoals ‘Tried So Hard’, met zijn countrybeat en melancholieke zang, ‘Is Yours Is Mine’ en ‘So You Lost Your Baby’ – opnieuw met uitbundige strijkers. Maar ook ‘Keep On Pushin’ – aangedreven door Dillards banjo –, het hartverscheurende ‘The Same One’ en ‘I Found You’ zijn kleine muzikale wonders – en doorstaan de tand des tijds met soeverein gemak. Bij verschijnen van Gene Clark And The Gosdin Brothers begin 1967, denkt het publiek er echter anders over. De barokke pre-countryrock van Clarks debuut is zijn tijd vooruit en verkoopt weinig, zeker in vergelijking met Younger Than Yesterday van The Byrds. Ook Gene Clark zelf is niet gelukkig met Gene Clark And The Gosdin Brothers. Vijf jaar later zal hij samen met Jim Dickson het album geheel remixen, de sound veranderen en bijna alle zangpartijen opnieuw opnemen. ‘Elevator Operator’ wordt zelfs in zijn geheel verwijderd. In 1972 verschijnt de lp opnieuw, maar dan onder de weinig aansprekende titel Collector’s Series: Early L.A. Sessions.Echoes / Think I’m Gonna Feel Better / Tried So Hard / Is Yours Is Mine / Keep On Pushin’ / I Found You / So You Say You Lost Your Baby / Elevator Operator / The Same One / Couldn’t Believe Her / Needing Someone
Abonneren op:
Posts (Atom)







