Posts tonen met het label 1984. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1984. Alle posts tonen

zondag 17 december 2017

The Vipers | Outta The Nest!

Outta The Nest! is een plaat om smoorverliefd op te worden. Een plaat die overbekende elementen bevat, maar met nét die vervreemdende twist. Rock, garage, psychedelica, maar dan wel met een tintelend popgevoel: The Vipers. Het openingsnummer, ‘Nothing’s From Today’, is ook te vinden op Battle Of The Garage Vol.II, deel 2 van een legendarische serie neo-psychedelica uitgebracht op het Voxx-label. Maar hier, als onderdeel van een langspeler, klinkt het nieuw, nooit gehoord. Echo, Rickenbackers, fuzz. Alleen al de klank van Outta The Nest! is klassieke garage. Zwaar leunend op de sound van The Yardbirds, The Electric Prunes en The Chocolate Watchband, maar ook overduidelijk beïnvloed door The Beatles en knipogend naar The Monkees. Pakkende composities, uiterst competent uitgevoerd en versierd met sitars, klavecimbel en agressieve fuzz-gitaren. Outta The Nest! is een wild feest.
The Vipers worden in 1981 opgericht door Jon Weiss die afkomstig is uit The Fleshtones. Het New Yorkse muzikale landschap in die tijd wordt onder anderen gevormd door Patti Smith, Television en Suicide. Zij zijn beïnvloed door punk, garage en psychedelica. Dit is de vruchtbare grond waarin het zaad van The Vipers kan kiemen. Door veel op te treden in lokale hangout The Dive onstaat een totaal eigen sound en groeit hun hun repertoire uit tot een mix van originals en covers zoals ‘Why Do I Cry?’ van The Remains en ‘Medication’ van The Standells. Na de debuutsingle ‘Never Alone’ nemen The Vipers in de zomer van ’84 hun debuutelpee op in de Sear Sound-studio, thuishaven van sixtieslegende Lothar And The Hand People. 
Outta The Nest! wordt direct herkend als een klassiek sixties garage/psych album, alleen is de plaat twintig jaar later opgenomen. Vertrekpunt is 1967, het scharniermoment tussen garagerock en Sgt. Pepper. The Vipers mengen beide fenomenen tot een adembenemende cocktail. Het jeugdige elan spat van het vinyl en bovendien klinkt de plaat als een klok. Galm, echo, reverb, The Vipers passen het op de enige juiste manier toe; alsof de plaat in een diepe, zompige kelder is opgenomen. Uitstekende, pakkende composities die klokken binnen drieëneenhalve minuut – een enkele iets langer. ‘Borrowed Time’, ‘Cheated And Lied’, ‘Dark As My Day’; binnen het pop/psych genre is het tot op de dag van vandaag zelden beter gedaan. Samen met uitgekiende covers als het al eerder genoemde ‘Medication’ behoren de nummers op deze lp tot de essentie van garage en psychedelica.
Maar zoals zo vaak komen er na de euforie ook mindere tijden. De band raakt ontregeld door de dood van hun manager en wordt slachtoffer van mismanagement. Ze maken singles, toeren door Europa en nemen een tweede lp op, getiteld How About Somemore? een waardige opvolger van Outta The Nest!, maar meer ook niet. De beatleboots en skinny ties zijn vervangen door leren vestjes en blote armen, de pagekapsels door golvende manen. De muziek is meer opgepompt; meer rock dan garage. En net als die andere legendarische neo-garageband, The Chesterfield Kings, lopen The Vipers in de val van de jaren negentig metal. De powerpop psychedelica is in rook opgelost, de magie verdampt. Er resten een handvol singles en twee lp’s, een goede en een briljante. De briljante bezit de zeldzame klasse die te vergelijken valt met de vermaarde Nuggets dubbel-lp (of de cd-box): voor Outta The Nest! geldt onverkort wat er in de liner notes op de lp-hoes vermeld staat: ‘classic album number one’. 

Nothing’s From Today / Now I Remember / Cheated And Lied / Dark As My Day / Tellin’ Those Lies / Medication / Surprise, Surprise / Tears (Only Dry) / Ain’t Nothin’ Like Her / Borrowed Time / Not To Be In Love / We’re Outta’ Here!

Eerder gepubliceerd in Platenblad.

zaterdag 4 januari 2014

The Blue Nile | A Walk Across The Rooftops

Geen zicht op een baan, en dus verlaten Paul Buchanan (Engelse literatuur), Paul Joseph Moore (elektrotechniek) en Robert Bell (wiskunde) begin jaren tachtig de universiteit van Glasgow om met zijn drieën The Blue Nile te vormen. Met een minimaal instrumentarium en gedomineerd door synths brengen Buchanan (zang, gitaar), Moore (toetsen) en Bell (bas) in 1981 een eerste single uit op nota bene Robert Stigwoods RSO-label (The Bee Gees, Eric Clapton), Anti-sterren als ze zijn levert het niet meer dan een paar keer draaien op de radio op; The Blue Nile lijkt dan al op een dood spoor beland.
Bij toeval speelt een bevriende opname-technicus geluidsapparatuur-fabrikant Lynn een Blue Nile-tape in handen. Lynn is op zoek naar een band die een demonstratieplaat voor hun producten kan maken. En dus financiert Lynn de opnamen voor het debuutalbum van The Blue Nile, opgenomen in het rustieke Pencaitland, dicht bij Edinburgh. Niettemin is A Walk Across The Rooftops – in mei 1984 uitgebracht op Lynn Records – in het bijzonder een muzikaal portret van het industriële Glasgow; het nachtelijke Glasgow. Met een gezamenlijke speelduur van 38 minuten zijn de zeven tracks vooral impressionistische klankschilderingen van de stad bij nacht. De golvende ritmes en de syncoperende toetsen doen in de verte herinneren aan Japans Tin Drum, maar zijn vooral uniek: 'A Walk Across The Rooftops', het groovende 'Tinseltown In The Rain', het catchy-weemoedige 'Stay' en het elektronische 'From Rags To Riches' zijn ronduit imposant, want muzikaal fantasierijk en verrassend: gitaaraanslagen die oplossen in het niets, ijle toetsenvegen, de schitterend smachtende stem van Paul Buchanan en de schrijnende stiltes. En meer nog, in emotionele achtbanen als 'Easter Parade', 'Heatwave' en 'Automobile Noise' is de sfeer beeldend en evocatief:de stank van de metro, autogeluiden in de nacht, neon-weerspiegelingen in een plas.
A Walk Across The Rooftops is zo'n album dat raakt en verwondt; onmogelijk onberoerd laat. The Blue Nile – anti-sterren – beseffen in 1984 niet dat ze met A Walk Across The Rooftops een van de beste Britse albums van de jaren tachtig hebben afgeleverd. Wij aanvankelijk ook niet.

A Walk Across The Rooftops / Tinseltown In The Rain / From Rags To Riches / Stay / Easter Parade / Heatwave / Automobile Noise


maandag 23 september 2013

Plan 9 | Dealing With The Dead

Eric Stumpo, John DeVault, Evan Williams, Mike Ripa en Tom Champlin – alle vijf zijn het gitaristen in Plan 9. De extreem hoge gitaardichtheid maakt van Plan 9 een ultieme jamband, maar het begon natuurlijk allemaal in de punktijd. Geformeerd in Rhode Island in 1979 door Eric Stumpo, toetseniste Deb DeMarco en bassist John Florence groeit Plan 9 – vernoemd naar een van de slechtste films ooit: Ed Woods Plan 9 From Outer Space – al snel uit tot een collectief van zes muzikanten. Na de wilde punktijd duikt Plan 9 het verleden in van de garagepunk en muteren compacte songs als ‘Dirty Water’ en ‘Frustration’ tot uitgesponnen acid-rock. Plan 9 wekt vervolgens de aandacht van Greg Shaw van het befaamde Voxx Records, maakt voor het label de mini-lp Frustration en krijgt een plaatsje op de verzamelaar Battle Of The Garages (Part II). Plan 9 bevindt zich in 1984 in het hart van de neo-garagerockscene, zo bewijst het eerste volwaardige groepsalbum Dealing With The Dead. Opgenomen in de Trod Nossel Studios in Connecticut onder productionele leiding van Deborah D. is Dealing With The Dead een warm klinkende acid-rockplaat waarop Plan 9’s wall-of-guitar-sound domineert. De gitaren zoemen, zagen en zaniken uiterst prettig in klassieke heavy psychedelische rocksongs als ‘I Like Girls’ – I like girls who walk in triplicate / I like girls with central heating – ‘White Woman’ en ‘Step Out Of Time’. Deborah D.’s dreinerige Vox Super Continental-orgel weert zich kranig tegenover de vijf kronkelende gitaren, zo ook in ‘Beg For Love’. De meest karakteristieke Plan 9-song – waarin de achtkoppige band gelijke delen Grateful Dead en Blue Öyster Cult mengt – is het door vele gitaren naar een climax gevoerde titelnummer ‘Dealing With Dead’. Dealing With The Dead verschijnt in 1984 in een zeer opvallende hoes. Niet alleen heeft de beroemde sixtties-graficus R.K. Sloane de fabelachtig psychedelische hoes ontworpen; deze licht ook nog eens op in het donker. Een bijgevoegd comics-boekje vervolmaakt ontwerp en muzikaal concept. Het maakt Dealing With The Dead tot een van de beste neo-psychedelische albums van de jaren tachtig, al is het het cirkelzagende en rondkronkelende gitaarleger dat het verschil écht maakt.

I Like Girls / B-3-11 / White Women / Dealing With The Dead / Step Out Of Time / Gone / Beg For Love / Can’t Have You / Keep On Pushin’

maandag 7 januari 2013

Claw Boys Claw | Shocking Shades Of Claw Boys Claw


Vijfhonderd gulden. Vijfhonderd gulden kostten de opnamen van een van de wellicht beste Nederlandse rockplaten ooit. Na het winnen van een talentenjacht in een Amsterdamse discotheek mag Claw Boys Claw een singletje opnemen. Leuk. Maar in één middag, of eigenlijk in drie uren, neemt de band voor dat geld twaalf nummers op in de studio van Stichting Popmuziek. Die opnamen verschijnen zonder overdubs – gewoon het ruwe product – in het voorjaar van 1984 als Shocking Shades Of Claw Boys Claw; als de debuutplaat van trash-rockers Claw Boys Claw. De plaat slaat een diepe krater in het dan vlakke Nederlandse muzieklandschap en komt bovendien van een geoliede, vette rock-’n-rollmachine die dan krap aan een jaar bestaat. Oprichter Allard Jolles en bassiste Bobbie Rossini komen uit de punkgroep The Suspenders, gitarist John Cameron uit Odorex. De groep noemt zich dan Combala, maar na de toetreding van Peter te Bos – docent aan de Rietveld Academie en toegerust met een enorme muil – wordt het kwartet omgedoopt tot Claw Boys Claw. Claw Boys Claw is de punk voorbij en heeft de blik strak gericht op de garagerock van The Gun Club en The Cramps en de sixtiespunk van The Stooges. Aangevoerd door podiumgek Te Bos, die zijn ervaring in een mannenkoor meebrengt, en het gerafelde en rammelende gitaarspel van Cameron, staat Claw Boys Claw garant voor zinderende optredens in rokerige hoofdstedelijke zaaltjes. Die sfeer, die rauwe sfeer, is volop aanwezig op Shocking Shades Of Claw Boys Claw. De plaat is dan ook een opwindende mengelmoes van trash-, garage-, acid- en glamrock. In twaalf geweldig vuige rocksongs speelt Claw Boys Claw zich gelijk in de eredivisie van de Nederlandse rock en doet dat met respect voor de vaderlandse rockgeschiedenis. Hiervan getuigen de swampy cover van Shocking Blue’s ‘Venus’ en de gitaarriff uit Brainbox’ ‘Down Man’ in ‘Hippy On The Highway’. Het basspel van Bobbie is vanzelfsprekend sexy as hell en de drums van Jolles zijn immer in gestrekte draf, toch draait het op Shocking Shades Of Claw Boys Claw vooral om de opengesperde scheur van oom Peter en het rauschende gitaarspel van neefje John. Cameron is zeer effectief is in zijn primitivisme, zoals te beluisteren valt op smoezelige rockers als ‘Understanding Her’ en ‘Phantom Shark’, evenals de hortende en stotende rifferama op ‘Cars’ en de T.Rex-gitaar in ‘Shake It On The Rocks’. Shocking Shades Of Claw Boys Claw rammelt werkelijk aan alle kanten, en die puurheid en urgentie maken het debuut van Claw Boys Claw inderdaad tot een van de beste platen ooit in Nederland gemaakt.

Business / Venus / Melrose / Hippy On The Highway / Wanking Fun / Cars / Camargue / Understanding Her / Shake It On The Rocks / You Gotta Go / Feed Me To The Lions / Phantom Shark

zaterdag 27 oktober 2012

The Cheepskates | Run Better Run


Kort en hevig is de jaren tachtig-opleving van de garagerock. En dat is ook het lot van het leeuwendeel van die energieke garagepunkbandjes: een kort bestaan van een paar singles, wat optredens en misschien een lp. Ook The Cheepskates zijn snel weer van het podium verdwenen; opgericht in New York ergens in 1982, is het kwartet, bestaande uit Shane Faubert (zang, orgel), David John Herrera (gitaar), Tony Low (bas) en Van Keith (drums) een paar jaar later alweer in het niets opgelost. In The Cheepskates kent de neo-garagerock een van zijn meest primitieve, simpele, lullige exponenten. Goedkoop ook, dat zich niet alleen uit in de bandnaam, want simpel instrumentarium met bas, drums, elektrische gitaar, Farfissa-orgeltje en eenvoudige, doch zeer opwindende liedjes. In zo'n veertien uur leggen The Cheepskates de muziek van hun debuutplaat vast, een week of wat later gevolgd door de vocalen. Het samengeplakte geheel komt in het voorjaar van 1984 uit op het New Yorkse gragagelabel Midnight Records. Op Run Better Run regeren surfpop, twang en garagepunk; domineren tikkende drums, priegelende gitaarsolootjes, het zeikerige Augie Meyers-orgeltje en onvaste, maar charmante koortjes. Rammelende fuzzpopliedjes als 'Run Better Run', 'Read Your Mind', 'That's When I Say Goodbye' en 'Take It Easy' zijn geniaal in hun catchy simplisme evenals de glimlach opwekkende tranentrekker 'Why Is Love'. Binnen het genre – maar ook daarbuiten – hebben The Cheepskates een unieke sound; weinigen klinken zo schijnbaar amateuristisch, zo lullig in combinatie met superaanstekelijke, vrolijkmakende liedjes als deze New Yorkse garageband.

Run Better Run / Read Your Mind / That's When I Say Goodbye / Gone For Good / Shadow Of Loneliness / Big Bad / You Can't Change / Drive In Movie / Xtra Collestrial / Take It Easy / I'd Give All I Got / Far Far Away / Why Is Love 

zaterdag 6 oktober 2012

The Long Ryders | Native Sons


Los Angeles, november 1981. Sid Griffin is de rechtlijnigheid van Shelly Ganz zat om met The Unclaimed alleen maar pure garagepunk te spelen. Hij stapt eruit omdat hij ook folkrock en country in zijn muziek wil verwerken. Hij formeert The Long Ryders – naar Walter Hills speelfilm maar wel met de Byrdsy ‘y’. Via een advertentie in de The Recycler – ‘Two ex-Unclaimed members want the Byrds, Standells and Seeds to ride again’ – vindt Griffin Stephen McCarthy. Deze brengt, aldus Griffin, een Merle Haggard-invloed in de band. De eerste releases zijn ‘Still Get By’ en ‘And She Rides’, die beide op een verzamelaar verschijnen. De debuut-EP 10-5-60 – een referentie naar ‘CTA 102’ van The Byrds – is legendarisch.
Tom Stevens uit Elkhart, Indiana is de nieuwe bassist die met drummer Greg Sowders een tandem vormt, waarna het kwartet de studio ingaat om het volwaardige debuut op te nemen. Die studio is exact dezelfde als waar The Flying Burrito Brothers in 1969 hun klassieker The Gilded Palace Of Sin opnamen – en ook de producer is dezelfde: Henry Lewy. De hoesfoto van Native Sons overigens, is een regelrechte verwijzing naar de nooit verschenen tweede lp van Buffalo Springfield, Stampede. Maar daar houdt Griffins hang naar de Cosmic American Music niet op. De enige cover op Native Sons is een country & western-lied van Mel Tillis, ‘(Sweet) Mental Revenge’, dat Griffin alleen kent van een tape van een concert van de Burrito’s. En bovenop dit alles wordt het meesterlijke hoogtepunt van Native Sons, ‘Ivory Tower’ door niemand minder dan Gene Clark van achtergrondvocalen voorzien. De plaat bevat verder rockers in de sfeer van The Flamin’ Groovies, zoals ‘Still Get By’, maar ook met stevige twaalfsnarige Rickenbackers opgetuigde rinkelende folkrockers zoals ‘I Had A Dream’ en het bezwerende ‘Too Close To The Light’. Lap steel, autoharp en banjo dragen bij aan het authentieke retro-karakter, waardoor The Long Ryders met Native Sons vaandeldragers worden van een nieuwe generatie rockbands die zich vrijelijk laten beïnvloeden door voorbije tijden. De Paisley Underground wordt de verzamelnaam van deze bands, onder wie The Dream Syndicate, Rain Parade, Green On Red en The Bangles.
Hiervan zijn The Long Ryders de eersten met een major-contract. Maar het brengt ze niet ver; niet in de Verenigde Staten. State Of Our Union is het debuut voor Island en het levert The Long Ryders wat populariteit op in Europa. Maar financieel staat het er niet best voor, ook niet als een tv-commercial voor Miller Beer op een catastrofe uitloopt. In 1987 komt Two Fisted Tales uit, volgens Sid Griffin de beste Long Ryders-plaat, maar kort daarop verlaten Stevens en McCarthy de band, The Long Ryders ten grave dragend. Sid Griffin keert nog terug met The Coal Porters, maakt in 1999 een fraaie cd met Western Electric en ontwikkelt zich tot gram Parsons-expert; hij schrijft een biografie en maakt de DVD Fallen Angel, die in 2006 verschijnt. Sid Griffin is nog steeds gevangene van zijn fascinatie voor Cosmic American Music.

Final Wild Son / Still Get By / Ivory Tower / Run Dusty Run / (Sweet) Mental Revenge / Fair Game / Tell It To The Judge On Sunday / Wreck Of The 809 / Too Close To the Light / Never Got To Meet The Mom / I Had A Dream


zondag 8 juli 2012

Eyeless In Gaza | Rust Red September

Heftig, experimenteel en compromisloos zijn Martyn Bates en Peter Beckers eerste schreden op het postpunk-podium. De Britse punk en new wave wordt begin jaren tachtig overspoeld door op hol geslagen synthesizers, ritmeboxen en mechanica. Bands, duo's en eenmansorkesten als Cabaret Voltaire, This Heat, Thomas Dolby en The The – evenals die Neue Deutsche Welle van Palais Schaumburg en Thomas Leer – drukken de traditionele punks weg. Op deze stroming drijven ook Bates en Becker mee; met hun Eyeless In Gaza – nerveuze slaggitaar, krakkemikkige synthesizer en geëxalteerde zang – halen ze de pagina's van Britse muziekbladen als New Musical Express en Sounds.
Met hun eerste doem-album Photographs As Memories oogsten ze in 1981 succes onder de ontvankelijke critici, maar parallel aan de muzikale ontwikkeling van Bates en Becker maakt dreiging en doem plaats voor licht, ruimte en landelijkheid. En het duo ontdekt, gelijk tijdgenoten Aztec Camera en Icicle Works, de folk. Dit leidt in 1984 tot Rust Red September, Eyeless in Gaza's vijfde, een schitterend herfstig folkpopalbum. Bates (zang, elektrische gitaar, orgel) en Becker (bas, drums, piano, keyboards, accordeon) leggen een grote muzikaliteit aan de dag in de tintelende popliedjes ('Changing Situations', 'Pearl And Pale', 'New Risen', 'Taking Steps'), waar tegenover rustieke, verstilde liedjes staan als 'Only Whispers' en het overweldigende 'Bright Play Of Eyes'. Red Rust September is een album van pastorale pracht, geconcipieerd door een tweetal geëvolueerde punkers.
Martyn Bates en Pete Becker, de facto te beschouwen als cultfiguren uit een bijna vergeten era, brachten niettemin new wave, punk en postpunk een trap hoger op de evolutieladder. Eyeless In Gaza: obscuur maar niet (geheel) vergeten.

Changing Situations / Pearl And Pale / New Risen / September Hills / Taking Steps / Only Whispers / Leaves Are Dancing / No Perfect Stranger / Corner Of Dusk / Bright Play Of Eyes / Stealing Autumn

maandag 5 maart 2012

Lyres | On Fyre

Monoman is een ziekelijke verzamelaar van jaren zestig-singletjes; het verklaart zijn bijnaam – al schijnt die ook te slaan op zijn starheid en botte gedrevenheid. Dat laatste is hem – Jeff Connolly – niettemin goed van pas gekomen in zijn worsteling een muzikantenbestaan op te bouwen. In 1975 komt Connolly naar Boston om te studeren, maar daar komt niet veel van als hij zich aansluit bij punkband DMZ en naast toetsenist de nieuwe zanger wordt, luisterend naar de naam Mono Mann. De een-dimensionale Stooges-punk van DMZ levert een plaat op bij major Sire Records, maar als een doorbraak uitblijft en een van de twee gitaristen vertrekt komt de weg vrij voor de dadendrang van Connolly en zijn Vox Continental-orgel. In de eerste bezetting van de Lyres speelt de gitarist van DMZ nog, maar deze ruimt algauw het veld voor de vele vervangers. De compromisloze Connolly regeert zijn band met strakke hand en is tijdens de optredens de bezwete bandleider die dubbelgevouwen over zijn orgel hangt en zijn dijen ranselt met zijn tamboerijn. Lyres speelt melodieuze garagepunk met sterke soulinvloeden en een monomane hang naar het tijdperk waarin Monomans mono-singletjes verschenen. Als manager-fan Richard W. Harte zijn label Ace Of Hearts start, heeft Connolly’s Lyres een min of meer stabiele bezetting met DMZ-drummer Paul Murphy, DMZ-bassist Rick Coraccio en ex-Godzz-gitarist Danny McCormack. Harte produceert ook de band als deze in de Normandy Sound-studio vijftien nummers opneemt waarvan er elf op Ace Of Hearts eerste lp-release verschijnen: On Fyre. Elf opzwepende liedjes, gedrenkt in echo, voorzien van primitieve drums en versterkt door Connolly’s schelle tamboerijn en dreinerige orgeltje. Maar bovenal wordt het opwindende Lyres-geluid gekenmerkt door het heftige tremologeluid van McCormacks Danelectro-gitaar. Monoman: ‘Some people call it reverb, some people call it vibrato, but it’s tremolo. Get that straight, tremolo!’ Tussen spetterende eigen composities als ‘Help You Ann’, ‘I Really Want You Right Now’ en ‘Don’t Give It Up Now’ – Connolly’s credo – komt Monomans obscure smaak tot uiting in de keuze van de covers: ‘The Way I Feel About You’ van de tragische ex-Beatle Pete Best, ‘Tired Of Waiting’ van Ray Davies en ‘Love Me Till The Sun Shines’ van diens broertje Dave. Met Lyres’ On Fyre komt de revival van de sixties garagerock goed op gang – het is een van de beste lp’s van de jaren tachtig neo-garage, al doet opvolger Lyres Lyres – met twee Outsiders-cover – er niet voor onder. Populair is de groep bovendien in Frankrijk, Duitsland en ook Nederland. Dat laatste komt Monoman goed uit als hij in eind jaren tachtig opneemt en optreedt met zijn grote held Wally Tax.
Don’t Give Up Now / Help You Ann / I Confess / I’m Tellin’ You Girl / Love Me Till The Suns Shines / I Really Want You Right Now / Tired Of Waiting / Dolly / Soapy / The Way I Feel About You / Not Like The Other One

zondag 12 februari 2012

Gualdalcanal Diary | Walking In The Shadow Of The Big Man

De misleidende hoes van Walking In The Shadow Of The Big Man roept eerder het beeld op van exotische worldmuziek dan frisse countryrock. Wellicht een reden dat Guadalcanal Diary niet het succes heeft gekend dat een band als R.E.M. wel ten deel viel. Aan de kwaliteit van Walking In The Shadow Of The Big Man kan het echt niet liggen. Guadalcanal Diary past, net als R.E.M., in een zuidelijke traditie van broeierige rockmuziek die zijn roots heeft in country, soul en pop. Murray Attaway (zang, gitaar) en Jeff Walls (leadgitaar) richten in 1981 hun band op in Marietta, Georgia en vernoemen deze naar een dagboek uit de Tweede Wereldoorlog van de Amerikaan Richard Tregaskis. Bassist Rhett Crowe en drummer John Poe, klasgenoten van vroeger, voegen zich bij hen en het kwartet trekt erop uit om ballads te spelen uit de Amerikaanse burgeroorlog. De sound ontwikkelt zich onder invloed van Britse postpunk, Westcoast folkrock en southern rock en soul tot een opwindende live-act, waarin vooral de felle, tribal drums van Poe opvallen. De rinkelende gitaren en Attaways zuidelijk-geïnspireerde melodieën zijn verwant aan R.E.M. uit het 60 mijl westelijk gelegen Athens, al ontkent de band nadrukkelijk. Wat Guadalcanal Diary betreft is er geen ‘New South’-stroming. Dat de band ongelijk heeft bewijst de release in 1984 van het debuut Walking In The Shadow Of The Big Man. Geproduceerd door Don Dixon – óók R.E.M.-producer – is Walking In The Shadow Of The Big Man gevuld met hypermelodieuze songs, voorzien van transparante elektrische en akoestische gitaren, country twang en roffelende drums. Het openingsnummer ‘Trail Of Tears’ gaat over de slachtoffers van de Amerikaanse burgeroorlog en wordt gevolgd door het uiterst opzwepende ‘Fire From Heaven’. Ook ‘Ghost On The Road’ met het fantastische intro en de twangende gitaar en ‘Why Do The Heathen Rage?’ zijn hoogtepunten van deze verzameling zweterige southern rock. Opvallend zijn verder het golvende instrumentale titelnummer en ‘Pillow Talk’ een met Rickenbackers en Costelliaanse bite opgetuigde rocker. Hoewel Walking In The Shadow Of The Big Man veel variatie kent, heeft Guadalcanal Diary een herkenbare en tamelijk eigen sound, wat dit debuut tot een van de betere gitaarplaten maakt van midden jaren tachtig. Een jaar na de release op het kleine DB Recs lijft Elektra de band in, hetgeen niet automatisch succes betekent. Guadalcanal Diary zal Walking In The Shadow Of The Big Man niet overtreffen en heft zichzelf vier jaar later op.
Trail Of Tears / Fire from Heaven / Sleepers Awake / Gilbert Takes The Wheel / Ghost On The Road / Watusi Rodeo / Why Do The Heathen Rage? / Pillow Talk / Walking In The Shadow Of The Big Man (Part 1) / Kumbayah