Posts tonen met het label 1976. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1976. Alle posts tonen

maandag 15 januari 2018

Blue Öyster Cult | Agents Of Fortune

Agents Of Fortune: een waterscheiding in het oeuvre van Blue Öyster Cult, een hardrockgroep van Long Island, New York met een hang naar het occulte. De scheidslijn loopt tussen obscure, sinistere heavy metal en radiovriendelijke, goed in het gehoor liggende maar niettemin stevige rock. Opgericht als Soft White Underbelly in 1967, geadopteerd door svengali's Sandy Pearlman en Richard Meltzer, neemt de band na een naamswijziging in Stalk-Forrest Group zijn debuut op, dat maar liefst veertig jaar op de plank blijft liggen. Een nieuwe start als Blue Öyster Cult bezorgt de bikerband een platendeal bij Columbia. 
Na drie studio-albums brengt de live-dubbelaar On Your Feet Or On Your Knees succes en aansprekende verkoopcijfers. Het nieuw verkregen elan valt samen met de nieuwste technologische ontwikkelingen, als de bandleden in 1975 thuis de beschikking krijgen over een portable meersporenrecorder. Passé is het langdurige, kostbare verblijf in de studio, want nu komen Donald 'Buck Dharma' Roeser (zang, gitaar, synthesizer), Eric Bloom (zang, gitaar), Allen Lanier (zang, keyboards, gitaar), Albert Bouchard (drums, gitaar) en Joe Bouchard (bas, piano) met kant en klare, thuis opgenomen demo's in de Record Plant-opnamestudio. Roeser is het goudhaantje als hij tevoorschijn komt met een atmosferische rocksong die opgetuigd is met een gitaarriff ontleend aan 'So You Want To Be A Rock 'N' Roll Star' van The Byrds en voorzien is van een tekst die reïncarnatie als thema heeft. Dit '(Don't Fear) The Reaper' wordt samen met negen broeierige, sc-fi-songs in een kleine zes weken tijd opgenomen, en in mei 1976 als Agents Of Fortune op de markt gebracht. Gelijktijdig komt '(Don't Fear) The Reaper' uit als single – en wordt een Amerikaanse hit. De hypnotiserende rocksong, met fluwelen gitaren, melodieuze zang en koebel, komt in Nederland in november '76 niet verder dan de tipparade, maar dat doet niks af aan de hemelse pracht. Prachtig zijn evenzeer ‘The Revenge Of Vera Gemini’ - met zang van Patti Smith - en de wat lichtere metalsongs 'E.T.I. (Extra Terrestrial Intelligence)', 'Sinful Love', 'Morning Final' en 'Debbie Denise', in het bijzonder vanwege de ruimtelijke en ietwat gepolijste sound én het warme, vloeiende gitaarwerk. 
Blue Öyster Cult heeft met Agents Of Fortune een klinkend hitalbum geproduceerd maar wordt wel enerzijds beticht van commerciële uitverkoop vanwege het glanzend gepolijste geluid en anderzijds verketterd door de christelijke gemeenschap om de verdachte, vermeend suïcidale tekst van '(Don't Fear) The Reaper'. Desondanks gaat Agents Of Fortune, een klassiek mid jaren zeventig hardrockalbum, meer dan een miljoen keer over de toonbank. '(Don't Fear) The Reaper' op zijn beurt, wordt in 2000 geëerd met een bijzonder geestige parodie in het satirische programma Saturday Night Live. Een klassiek album dus, en een nog klassiekere single die, religieuze verbrandingen ten spijt, een enorm publiek aanspreekt. 

This Ain't The Summer Of Love / True Confessions / (Don't Fear) The Reaper / E.T.I. (Extra Terrestrial Intelligence) / The Revenge Of Vera Gemini / Sinful Love / Tattoo Vampire / Morning Final / Tenderloin / Debbie Denise

Columbia, 1976

zondag 21 september 2014

Kansas | Leftoverture

In het midden van de jaren zeventig maken zes boerenzonen uit het Midwesten naam met een onwaarschijnlijke combinatie van symfonische rock en southern rock. Onwaarschijnlijke mag het zijn; de bandnaam is voor de hand liggend en simpel: Kansas. Met veel bravoure laat de band zien dat ingewikkelde op klassieke leest gestoelde passages uitstekend blijken samen te gaan met harde boogierock. Opgericht in Topeka, Kansas in 1970 en opgepikt door Monkees-bedenker Don Kirshner hebben Steve Walsh (zang, toetsen), Kerry Livgren (gitaar, toetsen), Robby Steinhardt (zang, viool), Rich Williams (gitaar), Dave Hope (bas) en Phil Ehart (drums) er in 1975 al drie lp's op zitten. De druk om door te breken neemt echter toe en als de voornaamste songschrijver Steve Walsh onder een writer's block zucht en alle druk op de schouders ligt van de sneeuwwitte gitarist Kerry Livgren. De band worstelt met een gebrek aan nieuwe songs, maar Livgren ontstijgt zichzelf en beleeft een koortsachtige creatieve periode. Vlak voor de opnamen krabbelt Livgren nog een idee voor een nieuw liedje op papier, en een Amerikaanse monsterhit is geboren: 'Carry On Wayward Son'. Het voert een lp aan die Kansas een grootse doorbraak oplevert. Leftoverture – met een op de hoes een in denken verzonken Leonardo Da Vinci – kent een sprankelend heldere productie – van roadie Jeff Glixman – waarin vooral de samenzang van Walsh en Reinhardt en de gitaarduellen van Livgren en Williams eruit springen, met een groots resultaat in 'The Wall', 'What's On My Mind'. 'Opus Insert' en de meer epische, symfonische songs 'Miracles Out Of Nowhere' en 'Cheyenne Anthem'. Walsh is de uitstekende zanger, en zijn en Livgrens spel op moog, clavinet en ARP-synthesizer zijn de extra smaakmakers. Kansas weet echter niet altijd de valkuil van té complexe songs te omzeilen en verliest zich aldus een enkele keer in pompeuze overdaad, zoals in 'Magnum Opus' – al is het intro daarvan werkelijk groots. Leftoverture is zeker grotesk, maar de niet eerder gehoorde symfonische southern-boogie-hybride maakt van het album een millionseller en van Kansas dé rock-cowboys van het Midwesten en heersers van de plattelandssporthal en dorps-arena. Leftoverture gaat drie miljoen keer over de toonbank en wordt opgevolgd door de nog grotere successen Point Of Know Return (1977) en Monolith (1979), waarna de band langzaam begint af te brokkelen.

Carry On Wayward Son / The Wall / What's On My Mind / Miracles Out Of Nowhere / Opus Insert / Questions of My Childhood / Cheyenne Anthem / Magnum Opus



maandag 7 juli 2014

Thin Lizzy | Jailbreak

‘The Boys Are Back In Town’ is Phil Lynotts eerbetoon aan de vele mannelijke fans die, zo stelde Lynott zich voor, hard werken in de fabriek of in de bouw en in de weekenden de bloemetjes buiten zetten. Het is in 1976 een onverwacht grote hit voor Thin Lizzy, zowel in Amerika als in Engeland – geen top 40-notering in Nederland. De tekst en titel slaan vooral ook op de bandleden zelf die zich in Amerika – op tournee met Aerosmith, The Tubes en Rainbow – geheel te buiten gaan aan drank, heavy drugs en vrouwen. Thin Lizzy – Phil Lynott (zang, bas), Brian Downey (drums), Brian Robertson (sologitaar), Scott Gorham (sologitaar) – staat dan bekend om zijn orgies, drankgelagen en drugsuitspattingen. Opgericht door Lynott en Downey, schoolvrienden in Dublin, heeft Thin Lizzy moeite een bestendige gitarist te vinden: Eric Bell, Gary Moore, John Cann en Andy Gee; zij allen komen en gaan. Vanaf 1974 krijgt het van bluesy coverband tot hardrockband geëvalueerde Thin Lizzy zijn definitieve vorm met de Californische gitarist Scott Gorham en de 17-jarige Schotse gitarist Brian Robertson. Een deal met Vertigo Records en de uitstekende lp’s Night Life en Fighting vormen de opmaat voor de doorbraak van Thin Lizzy: Jailbreak. Gelouterd door eindeloos toeren in de States, schaaft de band langdurig aan hun nieuwe songs voordat ze met producer John Alcock de Ramport Studios ingaan. Het resulteert in negen retestrakke, glimmend gepolijste hardrocksongs die Lizzy’s dubbele gitaar-line-up en Lynotts bravado etaleren. Phil Lynotts verbeelding voert van toekomstige totalitaire overheersing in ‘Jailbreak’ via de cowboy-romantiek van ‘Cowboy Song’ tot derde wereld-solidariteit in de superieure laidback-rock van ‘Fight Or Fall’. De meest opzwepende nummers van Jailbreak zijn echter ‘Warrior’ en ‘Emerald’; deze groeien uit tot favoriete live-nummers. Het hier geëtaleerde dubbele gitaarspel van Robertson en Gorham is ronduit fenomenaal. Brian Robertson is de gitarist met het venijn en de felheid, terwijl Scott Gorham een vette, modderige sound heeft. Deze strijders ontmoeten elkaar in de ongenaakbare afsluiter ‘Emerald’. Jailbreak is niet alleen Thin Lizzy’s doorbraakalbum, maar ook Thin Lizzy’s beste album. Er komt nog heel veel moois na Jailbreak en Thin Lizzy groeit uit tot een topband. Maar de roem eist zijn tol. Al in ’76 raakt Lynott besmet met hepatitus en door jarenlang zwaar alcohol- en heroïnegebruik bezwijkt zijn lichaam uiteindelijk op 4 januari 1986. Phil Lynott, vader van twee jonge dochters, is niet ouder geworden dan 37 jaar.

Jailbreak / Angel From The Coast Running Back / Romeo And The Lonely Girl / Warrior / The Boys Are Back In Town / Fight Or Fall / Cowboy Song / Emerald


maandag 2 juni 2014

Robert Lester Folsom | Music And Dreams

Student aan de universiteit van South Georgia, maar daarnaast een bescheiden singer-songwriter en gitarist, Robert Lester Folsom krijgt het in 1976 voor elkaar om met zijn vrienden van zijn collegeband in een studio in Atlanta een lp op te nemen. Folsom is dan onervaren en volslagen onbekend, en zal dat altijd blijven. Dat ene album, Music And Dreams, komt uit op het private Abacus-label en is direct gedoemd tot de vergetelheid. Toch heeft Music And Dreams zijn charme, want de twaalf vakkundige popliedjes karakteriseren op een welhaast naïeve wijze de nasleep van de hippietijd van de jaren zestig en zeventig. Geïnspireerd op de Westcoast-folkrock van Crosby, Stills & Nash en de vakbekwame pop van Todd Rundgren en Jimmy Webb, laat Folsom horen tot mooie dingen in staat te zijn. Warme, gloedvolle songs met vloeiende, zachte elektrische gitaren, tinkelende akoestische, Wurlitzer-piano en sprookjesachtige mellotron zijn in de vorm van 'Music And Dreams', 'Ginger', 'April Suzanne' en 'Please Don't Forget Me' royaal aanwezig; ruim voldoende om van Music And Dreams een, zij het bescheiden, betoverend mooi album te maken.

Music And Dreams / Ginger / Biding My Time / April Suzanne / Weeping Willow Tree / My Stove's On Fire / Spanish Lady/Brown-Eyed Lady / A New Way / Show Me To The Window / Jericho / Please Don't Forget Me


dinsdag 11 maart 2014

Peter Frampton | Frampton Comes Alive!

Hoewel al op 17-jarige leeftijd in Engeland uitgeroepen tot the face of '68, is het acht jaren later als Peter Frampton de status van 's werelds grootste superster bereikt. Acht jaren van succes afgewisseld met mindere perioden; jong talent in The Herd, begenadigd gitarist in Humble Pie en een solocarrière die aanvankelijk nauwelijks van de grond komt maar uiteindelijk wel uitmondt in dat gigantische succes: Frampton Comes Alive!
Heel langzaam begint Frampton begin jaren zeventig voet aan de grond te krijgen in Amerika, vooral omdat zijn meedogenloze manager Dee Anthony de zanger/gitarist uit Bromley, een buitenwijk van Londen, in de etalage zet als the all-american boy. De sterke plaat Frampton is in 1975 een aardig opstapje naar een doorbraak; een doorbraak die uiteindelijk een aardverschuiving teweeg zal brengen. Frampton heeft inmiddels een strakke liveband met op gitaar en elektrische piano Bob Mayo, op bas Stanley Sheldon en op drums John Siomos. Met deze band toert hij in 1975 van de Amerikaanse westkust tot de oostkust. Van de optredens in San Francisco, San Rafael, Long Island en Plattsburgh, New York worden opnamen gemaakt met Wally Heiders mobiele opnamestudio. De toernee is uiterst succesvol, en zo ook – in overtreffende trap – het dubbele live-album Frampton Comes Alive! dat in januari 1976 op de markt komt.
De veertien songs zijn een fantastische staalkaart van Peter Framptons oeuvre, waarin tevens opgenomen de Humble Pie-rocker 'Shine On', een heavy, loeiende cover van 'Jumping Jack Flash' en 'Doobie Wah', Frampo's initiële poging in Amerika door te breken met een pastiche van The Doobie Brothers' 'Listen To The Music'. Weergaloos zijn daarenboven 'Something's Happening' en 'I Wanna Go To The Sun', die gekenmerkt worden door een scherpe dynamiek, een uitzonderlijk melodisch karakter en Framptons vloeiende, soepele gitaarsolo's. Intiem en romantisch zijn de akoestische liedjes 'Winds Of Change', 'All I Want To Be (Is By Your Side)' en het betoverende 'Baby, I Love Your Way'. Dit alles – akoestische intimiteit, hypermelodieuze rock en superieur gitaarwerk – wordt nog eens bekrachtigd door het hartverscheurende 'Lines On My Face', het geniale entertainment in ruim dertien minuten van 'Do You Feel Like We Do' en de fenomenale popsong 'Show Me The Way' – de beide laatste voorzien van Framptons handelsmerk: de talkbox, een apparaatje dat zang en gitaar verbindt. 'Show Me The Way' is de single die het dubbelalbum begeleidt, en het wordt een wereldhit – in juli '76 nummer 1 in de Nederlandse top 40. Frampton Comes Alive! wordt ook een wereldhit: in het eerste jaar worden er meer dan zes miljoen exemplaren verkocht. Het dubbelalbum breekt alle records en is zelfs in 1977 het best verkochte album ter wereld. Peter Frampton, met zijn fluwelen gitaarspel en knappe voorkomen, is dan de grootste popster in de wereld.
Uiteraard bouwt hij voort op dit succes, maar naïveteit en alcoholisme doen zijn verdiende miljoenen jammerlijk verdampen. Vermogend is Peter Frampton dan ook niet geworden van Frampton Comes Alive!; ook al zijn er wereldwijd meer dan 25 miljoen van verkocht.

Something's Happening / Doobie Wah / Show Me The Way / It's A Plain Shame / All I Want To Be (Is By Your Side) / Wind Of Change / Baby, I Love Your Way / I Wanna Go To The Sun / Penny For Your Thoughts / (I'll Give You) Money / Shine On / Jumping Jack Flash / Lines On My Face / Do You We Feel Like We Do

maandag 6 januari 2014

Pavlov’s Dog | At The Sound Of The Bell

De sound van Pavlov’s Dog omschrijven als apart is een understatement. Het doet geen recht aan het bandgeluid dat werkelijk uniek genoemd kan worden: zoals Pavlov’s Dog klinkt, klinkt niets of niemand. Een mix van feeërieke folk, symfonische rock en melodieuze pop, met als slagroom op de taart het vreemde stemgeluid van David Surkamp. Hij is het die in St. Louis, Missouri in 1972 Pavlov’s Dog opricht. Het collectief bestaat dan uit zeven muzikanten en weet door de groeiende populariteit in het clubcircuit de aandacht te trekken van ABC Dunhill. Met de van Blue Öyster Cult bekende producers Sandy Pearlman en Murray Krugman neemt Pavlov’s Dog hun debuut-lp op in New York, maar nog voor dit debuut, Pampered Menial, uitkomt heeft ABC Pavlov’s Dog met CBS geruild voor Poco. Het gevolg is dat Pampered Menial door beide labels wordt gereleast, op dezelfde dag, met verschillende hoezen. De verkoopresultaten zijn desastreus, maar dat weerhoudt Surkamp en de zijnen niet van doorgaan. 
Pavlov’s Dog bestaat voor de opnamen in de New Yorkse Record Plant-studio’s van At The Sound Of The Bell naast Surkamp uit Doug Rayburn (mellotron, bas), David Hamilton (toetsen), Stephen Scorfina (sologitaar), Thomas Nickeson (akoestische gitaar, harmoniezang) en Richard Stockton (bas). En alsof dat niet genoeg is zijn de saxofonisten Michael Brecker en Andy Mackay (Roxy Music) ingehuurd, evenals Yes-drummer Bill Bruford, Steely Dan-gitarist Elliott Randall en het Mountain Fjord Orchestra De meest bizarre gasten zijn echter de jongens van het High Wycombe Boys Choir, die overigens wel ‘Valkerie en ‘Early Morning On’ naar grote hoogten stuwen. Deze vervreemdende songs worden echter in bombast overtroffen door het symfonische ‘Do You See Him Cry’. Daar tegenover staan kristalheldere songs die op sprookjesachtige wijze worden vertolkt door de vocale tovenaar Surkamp. Een tikje pompeus wellicht, en bezwangerd met de mellotron-sound, maar niettemin prachtig zijn melodramatische liedjes als ‘She Came Shining’, ‘Mersey’ en ‘Gold Nuggets’. At The Sound Of The Bell verschijnt in 1976, maar doet hoegenaamd niets in de Verenigde Staten. Pavlov’s Dog neemt nog wel een derde album op, maar CBS laat deze gewoon op de plank liggen en trekt de stekker eruit. Zonde, maar uniek blijft de sound van Pavlov’s Dog.

She Came Shining / Standing Here With You (Megan’s Song) / Mersey / Valkerie / Try To Hang On / Gold Nuggets / She Breaks Like A Morning Sky / Early Morning On / Did You See Him Cry

vrijdag 6 december 2013

Blue Öyster Cult | Agents Of Fortune

Agents Of Fortune: een waterscheiding in het oeuvre van Blue Öyster Cult, een hardrockgroep van Long Island, New York met een hang naar het occulte. De scheidslijn loopt tussen obscure, sinistere heavy metal en radiovriendelijke, goed in het gehoor liggende maar niettemin stevige rock. Opgericht als Soft White Underbelly in 1967, geadopteerd door svengali's Sandy Pearlman en Richard Meltzer, neemt de band na een naamswijziging in Stalk-Forrest Group zijn debuut op, dat maar liefst veertig jaar op de plank blijft liggen. Een nieuwe start als Blue Öyster Cult bezorgt de bikerband een platendeal bij Columbia.
Na drie studio-albums brengt de live-dubbelaar On Your Feet Or On Your Knees succes en aansprekende verkoopcijfers. Het nieuw verkregen elan valt samen met de nieuwste technologische ontwikkelingen, als de bandleden in 1975 thuis de beschikking krijgen over een portable meersporenrecorder. Passé is het langdurige, kostbare verblijf in de studio, want nu komen Donald 'Buck Dharma' Roeser (zang, gitaar, synthesizer), Eric Bloom (zang, gitaar), Allen Lanier (zang, keyboards, gitaar), Albert Bouchard (drums, gitaar) en Joe Bouchard (bas, piano) met kant en klare, thuis opgenomen demo's in de Record Plant-opnamestudio. Roeser is het goudhaantje als hij tevoorschijn komt met een atmosferische rocksong die opgetuigd is met een gitaarriff ontleend aan 'So You Want To Be A Rock 'N' Roll Star' van The Byrds en voorzien is van een tekst die reïncarnatie als thema heeft. Dit '(Don't Fear) The Reaper' wordt samen met negen broeierige, sc-fi-songs in een kleine zes weken tijd opgenomen, en in mei 1976 als Agents Of Fortune op de markt gebracht. Gelijktijdig komt '(Don't Fear) The Reaper' uit als single – en wordt een Amerikaanse hit. De hypnotiserende rocksong, met fluwelen gitaren, melodieuze zang en koebel, komt in Nederland in november '76 niet verder dan de tipparade, maar dat doet niks af aan de hemelse pracht. Prachtig zijn evenzeer de wat lichtere metalsongs als 'E.T.I. (Extra Terrestrial Intelligence)', 'Sinful Love', 'Morning Final' en 'Debbie Denise', in het bijzonder vanwege de ruimtelijke en ietwat gepolijste sound én het warme, vloeiende gitaarwerk.
Blue Öyster Cult heeft met Agents Of Fortune een klinkend hitalbum geproduceerd maar wordt wel enerzijds beticht van commerciële uitverkoop vanwege het glanzend gepolijste geluid en anderzijds verketterd door de christelijke gemeenschap om de verdachte, vermeend suïcidale tekst van '(Don't Fear) The Reaper'. Desondanks gaat Agents Of Fortune, een klassiek mid jaren zeventig hardrockalbum, meer dan een miljoen keer over de toonbank. '(Don't Fear) The Reaper' op zijn beurt, wordt in 2000 geëerd met een bijzonder geestige parodie in het satirische programma Saturday Night Live. Een klassiek album dus, en een nog klassiekere single die, religieuze verbrandingen ten spijt, een enorm publiek aanspreekt.

This Ain't The Summer Of Love / True Confessions / (Don't Fear) The Reaper / E.T.I. (Extra Terrestrial Intelligence) / The revenge Of Vera Gemini / Sinful Love / Tattoo Vampire / Morning Final / Tenderloin / Debbie Denise

dinsdag 8 oktober 2013

Dr. Feelgood | Stupidity

Op 13 juli 1973 speelt Dr. Feelgood voor het eerst als hoofdact in Londen, in de Tally Ho – bakermat van de pubrock. En al vanaf dat moment zal de reputatie van dit vuige kwartet in Londen en omstreken groeien en groeien. In 1971 geformeerd op Canvey Island, een eiland in de monding van de Theems, bestaat Dr. Feelgood uit Lee Collinson (zang, mondharmonica), John Wilkinson (gitaar, gestoord podiumgedrag), John B. Sparks (bas) en John Martin (drums). Dr. Feelgood zet een nieuwe standaard door de furieuze en tomeloze inzet van de bandleden, die er overigens uitzien als slechtbetaalde kantoorklerken, elkaar voornamelijk negeren en hoe dan ook weigeren te lachen. Het is al vanaf het begin duidelijk: van zo’n band bestaat er geen tweede. Door dit opmerkelijke imago van explosieve liveshows en een verwilderde stage-act verwerft Dr. Feelgood in korte tijd een grote reputatie in het pubrockcircuit. Lee Collinson heet inmiddels Lee Brilleaux, John Wilkinson Wilko Johnson en John Martin The Big Figure. In 1975 ramt Dr. Feelgood er twee platen uit: Down By The Jetty en Malpractice, en gaat dan op tournee door Amerika. Bij terugkomst moet er een derde plaat komen, maar Wilko Johnson heeft geen enkele nieuwe song: ‘I’d got nothing, only a few ideas.’ En dus komt er een live-lp. 
In de Southend Kursaal wordt de thuiskomst van Dr. Feelgood gevierd en worden er opnamen gemaakt met een mobiele studio. Het nummer waarmee Dr. Feelgood opent – het meer dan toepasselijke ‘Going Back Home’ – zet de zaal gelijk in vuur en vlam. Dan volgen er zeven stomende rock-‘n-rollsongs waarin Wilko Johnson als een gestoorde gek over het podium rond rent en rond stuitert en Lee Brilleaux totaal buiten zinnen raakt. Op kant 1 van Stupidity staan echter zeven nummers van een concert in de Sheffield City Hall. En ook daar slaat de vlam in de pan als Brilleaux’ geile mondharmonica zich verheft boven de opvallend dunne slaggitaarsound van Johnson – die overigens wel als een hakbijl door het bas/drums-fundament klieft. Maar de keren dat de dolleman soleert, zoals in Bo Diddley’s ‘I ‘m A Man’, spat de kalk van het plafond. Dr. Feelgood laat weinig heel van zaal en publiek tijdens de uitvoering van weergaloos vuige rockstompers als ‘Talking About You’, ‘She Does It Right’ en Solomon Burke’s ‘Stupidity’. Het naar dit nummer vernoemde live-album verschijnt op 24 september 1976 en geeft een perfect beeld van de tomeloze energie van de band en de hechte en retestrakke live-sound van vooral de tandem Brilleaux/Johnson. Stupidity komt de arbitraire titel toe tot de beste live-albums ooit te behoren. In ieder geval weerspiegelt het de reputatie van The Feelgoods en geeft het de importantie weer van deze weergaloze pubrockband, maar laat Stupidity vooral ook een herinnering zijn aan Lee Brilleaux die op 7 april 1994 stierf, al op 41-jarige leeftijd slachtoffer van kanker.

Talking About You / 20 Yards Behind / Stupidity / All Through The City / I’m A Man / Walking The Dog / She Does It Right / Going Back Home / I Don’t Mind / Back In The Night / I’m A Hog For You Baby / Checking Up On My Baby / Roxette / Riot In Cell Block No. 9 / Johnny B. Goode

zondag 18 augustus 2013

Bob Seger and The Silver Bullet Band | Night Moves

Robert Clark Seger is al meer dan tien jaar als muzikant onderweg, voordat hij zelf de touwtjes in handen neemt. Op Seven (1974) is Bob en alleen Bob de baas. In 1961 heeft Bob Seger zijn eerste bandje in Detroit, Michigan, stad van Motown en the home of rock & roll. Na The Decibels volgen The Town Criers, The Omens en de novelty-act The Beach Bums. Als solo-artiest scoort Seger bescheiden hits in het Midwesten, maar regie en repertoirekeuze zijn in handen van zijn platenlabel. Eind jaren zestig neemt Bob Seger de regie over en richt zijn eigen management op. Segers songschrijverskwaliteiten blijven, getuige de vele covers op zijn albums, nog wel achter bij zijn onstuimige muzikale ontwikkeling; met The Silver Bullet Band maakt hij de binnenlanden van Amerika onveilig met een dampende mix van stevige rock'-n-roll en witte rhythm & blues. Maar gaandeweg ontwikkelt Detroit Bob zijn compositorische vermogens, neemt zijn zelfvertrouwen toe en na Seven komt hij in 1975 voor de dag met het fraaie en ingetogen Beautiful Loser, waarna hij een jaar later in Amerika – en in Amerika alleen – doorbreekt met de dubbele live-lp Live Bullet. Datzelfde jaar nog komt Segers negende album uit: Night Moves, opgenomen in Detroit, Michigan, Muscle Shoals, Alabama en Toronto, Canada met zijn Silver Bullet Band en de Muscle Shoals Rhythm Section. Naast zowel obligate als smeulende, bruisende rockers als 'The Fire Down Below' en de psychedelische Motown-soul van 'Come To Poppa', is het de instrospectieve, downbeat Seger die indruk maakt. Het meeslepende 'Sunburst' wordt nog opgejaagd door bonkende piano en elektrische gitaar, maar de melancholie slaat hard toe in de countryballad 'Ship Of Fools'; in het pijnlijk fraaie 'Main Street'; en in de sublieme rockballad 'Night Moves' – niet voor niets een nationale radiohit. Op Night Moves is het talent van Bob Seger tot volle ontplooiing gekomen, en hoewel Seger niet onder het stigma van a poor man's Springsteen vandaan komt, is zijn succes bij de Amerikaanse middenklasse immens en is hij de verpersoonlijking van de blue collar rock. Bob Seger stapelt vervolgens succes op succes, iets wat hem op bescheiden schaal ook in 1980 in Nederland lukt met Running Against The Wind.

Rock And Roll Never Forgets / Night Moves / The Fire Down Below / Sunburst / Sunspot Baby / Mainstreet / Come To Poppa / Ship Of Fools / Mary Lou 

woensdag 17 juli 2013

American Flyer | American Flyer

Als muzikanten die hun sporen reeds verdiend hebben gaan samenwerken of een band oprichten, heet dat een supergroep. American Flyer is zo’n supergroep, althans werd tot supergroep gebombardeerd. Op basis van de credentials van vorige bands – Velvet Underground, Blood, Sweat & Tears, Pure Prairie League, Linda Ronstadt – is dat wellicht zo, maar de American Flyer-leden hebben niet echt een grote reputatie. Ze zijn bovendien bij elkaar gebracht door de gewiekste managers Dennis Katz en Bob Renge en kennen elkaar in het geheel niet als de band start; American Flyer – vernoemd naar treinlocomotief – is een geconstrueerd muzikaal project. Zang, gitaar en toetsen worden verdeeld onder de vier American Flyer-leden: Doug Yule, Steve Katz, Craig Fuller en Eric Kaz. Dennis Katz is de manager van Lou Reed en brengt Doug Yule – dan in Lou Reeds begeleidingsband – in contact met zijn broer Steve Katz. De laatste kent Eric Kaz nog van hun gezamelijke tijd bij Blood, Sweat & Tears, terwijl nieuwbakken American Flyer-manager Bob Renge, producer van Pure Prairie League, zanger Craig Fuller aantrekt. Bovendien wordt niemand minder dan George Martin bereid gevonden als producer te fungeren. American Flyer gaat – met toevoeging van bassist en drummer – opnemen in Los Angeles, maar George Martin is ontevreden over elke studio die het gezelschap bezoekt: Indigo Ranch, Sounds Lab, Cherokee Sound en Sound Factory. Naast het viertal en de ritmesectie doen vele sessiemuzikanten de diverse studio’s aan, zoals gitarist Larry Carlton, fiddler Byron Berline, bassist Leland Sklar en Rusty Young, pedal steel-speler bij Poco. En niet onbelangrijk in de American Flyer-sound zijn de orkestrale arrangementen van producer Martin. 
In het najaar van 1976 verschijnt American Flyer, begeleid door een uitgebreide reclamecampagne. Duidelijk is dat American Flyer beschikt over een sophisticated countryrock-geluid, typerend voor de Westcoast-rock van de midden jaren zeventig. Liedjes als ‘The Woman In Your Heart’, ‘Love Has No Pride’, ‘Drive Away’ en het broeierige ‘Lady Blue Eyes’ ontstijgen de middelmaat echter verre. De bandleden bezitten allen de gave om pakkende composities te schrijven; de zangharmonieën zijn hemels en steken Poco en The Eagles naar de kroon, en het spel van de studiomuzikanten is onberispelijk en clean. Maar ondanks de ondersteunende promotiecampagne wordt American Flyer geen groot succes, dit omdat Katz, Yule, Kaz en Fuller geen zin hebben om live-optredens te doen. Bovendien wonen Katz en Yule aan de Oostkust en Kaz en Fuller in Californië. En zo splijt de band die geen band was; de supergroep die geen supergroep was.

Light Of Your Love / Such A Beautiful Feeling / Back In ’57 / Lady Blue Eyes / Let Me Down Easy / M / The Woman In Your heart / Love Has No Pride / Queen Of All My Days / Drive Away / Call Me, Tell Me / End Of Love Song

maandag 13 mei 2013

Truth & Janey | No Rest For The Wicked


In 1969 in Cedar Rapids, Iowa opgericht als Truth en vernoemd naar een lp van Jeff Beck. Truth is een powerrock-trio in de beste Britse bluesrocktraditie, maar als blijkt dat er al een Truth bestaat, wordt de achternaam van de gitarist eraan toegevoegd: Truth & Janey. Billy Janey (gitaar, zang), Steven (drums) en Steven Bock (bas, zang) vormen de definitieve bezetting van de hardrockband die na een paar singles gedurende de beginjaren zeventig aan het eigen repertoire werkt. Pas in 1976 neemt het trio zijn debuutplaat op, die aan het einde van dat jaar als No Rest For The Wicked in een oplage van 1.000 stuks op de markt komt. De heavy psychedelische rock lijkt in 1976 een anachronisme, wat er niks aan af doet dat No Rest For The Wicked een fantastisch melodieus rockmonster is. Van het bluesy en van spetterende solo's voorziene 'Down The Road', via de staalharde riffs van 'The Light' tot de akoestische gitaren in het betoverende 'It's All Above Us'; No Rest For The Wicked is een episch, lichtvoetig en magnifiek hardrock-cultalbum.

Down The Road / The Light / I'm Ready / Remember a. A Child b. Building Walls / No Rest For The Wicked / It's All Above Us / Ain't No Tellin' / My Mind

dinsdag 5 maart 2013

Racing Cars | Downtown Tonight


In 1977 staan Racing Cars op Pinkpop. Dat hebben ze te danken aan de top 20-hit ‘They Shoot Horses Don’t They?’, een nikserig, slap popliedje. Het doet echter geen recht aan de lp waarvan de hit afkomstig is: Downtown Tonight. Het debuutalbum van de vijf muzikanten uit Zuid Wales is namelijk een zeer soulvolle rockplaat, waarop de band op fraaie wijze Amerikaanse rootsrock met Britse pubrock vermengt. Weliswaar bezit Downtown Tonight een gepolijst geluid, maar de laidbacksfeer, de groovy sound en de robuuste zang van Gareth Mortimer maken van Racing Cars het Britse neefje van Little Feat. Wat in schurende, stompende rocksongs als ‘Calling The Tune’, en ‘Pass The Bottle’ nog eens bevestigd wordt door gierend slidespel. Tezamen met een serie broeierige, shuffelende ballads is Downtown Tonight, ondanks de suffe hit, een warmbloedig rockalbum. Maar warmbloedige rockalbums raken net als Racing Cars eind jaren zeventig geheel uit de mode, want weggeblazen door punk.

Calling The Tune / Hard Working Woman / Ladee-Lo / Downtown Tonight / Pass The Bottle / Moonshine Fandango / Four Wheel Drive / Get Out And Get It / They Shoot Horses Don’t They?

maandag 19 november 2012

Tom Petty And The Heartbreakers | Tom Petty And The Heartbreakers


In 1974, 34 jaar voor hun debuutplaat uitkomt, zet Mudcrutch voor het eerst voet op Californische bodem. De band, met aan het stuur van de VW-bus Tom Petty, heeft dan ruim 2.100 mijl afgelegd vanaf hun woonplaats Gainesville, Florida. Mudcrutch komt al snel onder contract bij Shelter Records, het label van de Britse producer Denny Cordell en muzikant Leon Russell. Cordell brengt Mudcrutch naar thuisbasis Tulsa, Oklahoma voor plaatopnamen, maar dan is dan band al uiteen gevallen. Russell heeft echter wel oog voor bassist Tom Petty en tekent hem als solo-artiest. Maar Petty, ontevreden over zijn studio-demo's, beseft dat hij een band nodig heeft en dus stelt hij een begeleidingsband samen met daarin ex-Mudcrutch-leden Mike Campbell (gitaar) en Benmont Tench (toetsen), en drummer Stan Lynch en bassist Ron Blair: The Heartbreakers. In de Shelter Studio in Hollywood, Californië nemen ze hun debuut op; negen Petty-composities, één van Campbell.
Als de plaat, Tom Petty And The Heartbreakers, in 1976 uitkomt blijkt de band zich te bevinden op het onwaarschijnlijke kruispunt tussen de traditionele heartland-rock van Bruce Springsteen en de frisse new wave-invalshoek van de New York-scene; tussen eindeloze highways en de dreiging van de grote stad. Enerzijds stralen The Heartbreakers met hun leren jekkies en jeugdige bravoure een punky attitude uit, anderzijds baseren zij zich met hun Vox-gitaren en Rickenbackers op de sixtiesmuziek van The Rolling Stones, The Beatles en The Byrds. Met hun energieke, gecompresseerde sound in jachtige rockers als 'Anything That's Rock 'n' Roll' en 'Strangered In The Night' blijken Petty en zijn Heartbreakers zich uitstekend thuis te voelen in het opportunistische kamp van de jonge generatie. Maar de band verliest daarbij – ondanks Petty's snerende, geknepen stem – de classic rock niet uit het oog, getuige memorabele rockliedjes als 'The Wild One, Forever' en 'Fooled Again (I Don't Like It)'. Daadwerkelijk klassiekers zijn het Wurlitzer-gestuurde 'Breakdown' en 'American Girl', met zijn jachtige drums en waterval van Rickenbacker-gitaren de ultieme radio-rocksong. Niet alleen in Amerika breken Tom Petty And The Heartbreakers door, ook in Engeland wordt de band, toerend in het voorprogramma van Nils Lofgren, royaal onthaald. En een jaar later staan Tom Petty And The Heartbreakers geprogrammeerd op Pinkpop. Als in 2008 de debuutplaat van Mudcrutch wordt gereleased, heeft Tom Petty er met zijn Heartbreakers er zo'n tien albums opzitten, en drie als solo-artiest – waarvan de laatste, Highway Companion, nog altijd relevant is.

Rockin' Around (With You) / Breakdown / Hometown Blues / The Wild One, Forever / Anything That's Rock 'n' Roll / Strangered In The Night / Fooled Again (I Don't Like It) / Mystery Man / Luna / American Girl

donderdag 12 juli 2012

Heart | Dreamboat Annie

Het succes van Dreamboat Annie begint als een klein vlekje in Montreal, Canada. Het kleine Canadese Mushroom-label weet begin 1976 de liedjes van de debuutplaat van Heart uitputtend op de lokale radio gedraaid te krijgen. Vervolgens gebeurt dit eveneens in Vancouver, de thuisbasis van de band. Het succes verspreidt zich als een inktvlek en als deze strategie ook in de Verenigde Staten – nota bene het geboorteland van alle bandleden – blijkt te werken, heeft Heart met hun debuutalbum al een million seller in huis.
Het hart van Heart bestaat uit gitarist Roger Fisher, bassist Steve Fossen en de zusjes Ann en Nancy Wilson. De Wilsons zijn de blikvangers van Heart: twee langharige schoonheden, de een donker de ander blond; de een zangeres, de ander gitariste. Zij tweeën schrijven bovendien gezamenlijk het repertoire van de band, dat zich beweegt tussen melodieuze hardrock en verfijnde poprock met een folky randje. De groep wordt in Amerika vooral vergeleken met het in Californië neergestreken Fleetwood Mac, dat met het gelijknamige album en de single 'Rhiannon' enorm succesvol is, maar dat vinden de Wilson-zusters zelf absurd, want Heart is meer een hardrockband. Dat blijkt ook wel uit de stevige nummers van Dreamboat Annie, zoals 'White Light & Wine' en 'Sing Child', waarin de gitaar van Fisher flink scheurt. Opvallend verzorgd en rijk gearrangeerd – zeker voor een low budget debuutplaat – zijn de sfeervolle ballads 'How Deep It Goes' – met sterke Wilson-samenzang – en het schitterend georkestreerde 'Soul Of The Sea'. Slim bedacht is voorts dat de titelsong in drie bedrijven en willekeurig over de plaat verspreid gepresenteerd wordt. Bijzonder fraai is dan ook de countryeske variant van 'Dreamboat Annie'. Vanzelfsprekend moet het op zich sterke materiaal het volledig afleggen tegen de beide wereldhits: Magic Man' en 'Crazy On You'. Het mystieke 'Magic Man' met zijn prachtig kronkelende gitaarsolo, komt in december '76 tot de zevende plaats in de Top 40, 'Crazy On You', opwindend en geniaal, een paar maanden later zelfs op nummer twee. Beide stuwen het commerciële succes van Dreamboat Annie hoog op.
Heart lijkt een glorieuze toekomst tegemoet te gaan – bevestigd door de volgende hitsingle 'Barracuda' – maar het Mushroom-label gooit roet in het eten door een kliekjesplaat op de markt te smijten. Heart komt dit niet zomaar te boven en verkeert jarenlang in een artistieke impasse, maar midden jaren tachtig is daar de glorieuze comeback – succesrijk en commercieel.

Magic Man / Dreamboat Annie (Fantasy Child) / Crazy On You / Soul Of The Sea / Dreamboat Annie / White Lightning / (Love Me Like Music) I'll Be Your Song / Sing Child / How Deep It Goes / Dreamboat Annie (Reprise)

dinsdag 6 maart 2012

Boston | Boston

De beginjaren zijn zoals voor veel beginnende bands moeilijk. Well, we were just another band out of Boston / On the road to try to make ends meet / Playin all the bars, sleepin in our cars, zingt Bostons Brad Delp in 'Rock & Roll Band', op dat moment niet vermoedend dat Boston mede-verantwoordelijk zal worden voor het megasucces van een nieuwe stroming in de rockmuziek: Adult Oriented Rock. Evenmin kan hij bevroeden dat Boston debuutalbum zeventien miljoen keer verkocht zal worden. Het brein achter Boston is Tom Scholz, een technisch geschoolde whizz-kid uit Toledo, Ohio die in 1970 afstudeert aan het MIT in Boston, Massachusetts. Hij raakt bevriend met Brad Delp, dan werkzaam in een fabriek voor koffiezetapparaten. In de kelder van de woning van Scholz experimenteren ze met songstructuren, instrumenten en technologie. Scholz is naast technicus een bekwaam gitarist, bassist en toetsenist; Delp is de bescheiden tweede man met de fluwelen stem. Met behulp van gitarist Barry Goudreau maken Scholz en Delp demo's waarmee ze bij de platenbazen gaan leuren. Het duurt even, maar in 1975 is het CBS/Epic dat toehapt en de groep, Boston gedoopt, tekent. Scholz rekruteert drummer Sib Hashian en in een later stadium ook bassist Fran Sheehan, en neemt met de band in zijn eigen thuis-studio de tracks op voor Bostons debuutalbum. CBS/Epic steekt daar echter een stokje voor want de band is verplicht een CBS-studio en -engineer te gebruiken. En dus vliegt Boston voorjaar '76 naar Californië om daar alleen de zang op te nemen. Het baanbrekende, zelfgetitelde hardrockalbum Boston verschijnt in juli 1976 en slaat wereldwijd in als een bom. Naast het wat meer experimentelere 'Foreplay' en de pompende hardrocker 'Smokin', is Boston vooral een liedjesalbum, dat is opgetrokken uit ijzersterke melodieën en spetterende dubbelgelaagde gitaarriffs. Fluitende elektrische gitaren en rinkelende akoestische – karakteristiek voor Boston – maken de dienst uit op onweerstaanbare AOR-klassiekers als 'Rock & Roll Band', 'Peace Of Mind', 'Hitch A Ride', 'Something About You', 'Long Time' en 'Let Me Take You Home Tonight'. En dat alles geldt natuurlijk in overtreffende trap voor het volkslied van de AOR-generatie: 'More Than A Feeling'. Deze schitterende klassieker – zwevend tussen pop en hardrock – is ook een Nederland begin 1977 een monsterhit en een perfecte smaakmaker voor het zowel verfijnde als heavy debuutalbum van Boston. Wereldroem is hun deel; Boston is een klap een gevestigde naam op het wereldtoneel. En dat niet alleen: Boston verandert met 'More Than A Feeling' en dat geniale debuutalbum op eigen kracht het aangezicht van de rock.
More Than A Feeling / Peace Of Mind / Foreplay/Long Time / Rock & Roll Band / Smokin' / Hitch A Ride / Something About You / Let Me Take You Home Tonight