Posts tonen met het label pubrock. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pubrock. Alle posts tonen

zondag 4 maart 2018

Ducks Deluxe | Taxi to the Terminal Zone

Wellicht staat het niet in het geheugen van de muziekliefhebber gegrift, maar Ducks Deluxe was in 1972 een niet van importantie gespeende rock-’n-rollband, want wegbereiders van pubrock en punk. Sean Tyla (zang, gitaar), Martin Belmont (gitaar), Nick Garvey (bas) en Tim Roper (drums) zijn ex-roadies van bands als Man, Brinsley Schwarz en Help Yourself en gaan met hun aardse rock-’n-roll de straat op en de pub in. Getekend bij RCA is Ducks Deluxe’s eerste single in 1973 het fantastische ‘Coast to Coast’. 
Het eerste album, Ducks Deluxe, laat in 1974 nog een sound horen die alle kanten opgaat, van Beatles-pop tot countrysoul, maar de opvolger moet anders - zo eisen ook de bobo’s van RCA. Onderwijl is pianist en organist Andy McMaster ingelijfd om een royalere en misschien wel commerciëlere sound te bewerkstelligen. Voor de opnamen van dit tweede album reist de band af naar de Rockfield Studios in Wales, alwaar Dave Edmunds de scepter zwaait. Het levert een coherentere sound op, maar af en toe ook een gladdere sound. Taxi to the Terminal Zone is Ducks Deluxe op zijn gepolijst - zeker in McMasters ‘Love’s Melody’, al heeft dit wel weer een enorme hitpotentie. Dave Edmunds heeft inderdaad voor een sound gezorgd waar de scherpe randjes wat af zijn, al dreint McMasters orgeltje erg lekker, maar het geheel is in 1975 niettemin een klassieke pubrockplaat, met lekker swingende pubrocksongs als ‘Cherry Pie’, ‘It Don’t Matter Tonite’, ‘Woman of the Man’ en ‘Teenage Head’, een cover van The Flamin’ Groovies. In een trager tempo - maar minstens zo fijn - voltrekken zich liedjes als ‘Rainy Night in Kilburn’, ‘I’m Crying’ en het countryeske ‘Rio Grande’ - met op pedalsteel Dave Edmunds. Ducks Deluxe is hier de gelijke van grotere broertje Brinsley Schwarz, waarmee Taxi to the Terminal Zone de vergelijking aankan met Silver Pistol of Nervous on the Road.
Grote kans dat de RCA-bonzen tevreden zijn over het resultaat, maar de bandleden nemen de titel van het album iets te serieus; zij snellen naar het einde van Ducks Deluxe. Het afscheidsconcert vindt dan ook al op 1 juli 1975 plaats in London’s 100 Club aan Oxford Street. Maar geen nood, want de bandleden duiken vervolgens weer op; in Tyla’s Gang, The Motors en Graham Parker and the Rumour.

‘Cherry Pie’ | ‘It Don’t Matter Tonite’ | ‘I’m Crying’ | ‘Love’s Melody’ | ‘Teenage Head’ | ‘Rio Grande’ | ‘My My Music’ | ‘Rainy Night in Kilburn’ | ‘Woman of the Man’ | ‘Paris 9’

maandag 22 mei 2017

Eggs Over Easy | Good ’N’ Cheap: Eggs Over Easy

Voor liefhebbers van seventies rock is dit een bijzonder interessante release; om niet te zeggen een verplichte aanschaf. Eggs Over Easy is, dat moet gezegd, een tamelijk onbekende, obscure band. Het allerbelangrijkste wapenfeit lijkt echter wel het feit dat deze Amerikaanse band de grondleggers zijn van de Britse pubrock. Opgericht in Amerika door Austin de Lone (toetsen, gitaar, zang), Jack O’Hara (gitaar, bas, zang) en Brien Hopkins (gitaar, piano, bas, zang) in 1969 - en heen en weer reizend tussen New York en San Francisco - krijgt het trio in 1970 de kans een plaat op te nemen met Animals-bassist en Jimi Hendrix-manager Chas Chandler - maar dan wel in Londen. De band vliegt naar de UK, neemt zijn debuutalbum op, maar dan stokt alles. Eggs Over Easy blijft berooid in Londen achter. Dan komt het lumineuze idee op om (gratis) te gaan spelen in jazzcafé The Tally Ho. En dat wordt heel langzaam een succes, maar wel zo’n succes dat een stroming geboren wordt als ook bands als Brinsley Schwartz, Dr. Feelgood, Help Yourself en Bees Making Honey de Londense pubs bespelen: pubrock - de voorloper van punk - is geboren. Terug in Amerika kan Eggs Over Easy gelukkig hun eerste plaat Good ’N’ Cheap (1972) - geproduceerd door Link Wray - op het thuispubliek loslaten. Het is een fraai album, maar krijgt geen aandacht. Datzelfde lot is Fear Of Frying (1980) beschoren. Exit Eggs Over Easy. 
In 2016 is er dan eindelijk - voor zoiets is het nooit te laat - Good ’N’ Cheap: Eggs Over Easy, dat alles bevat wat de mannen hebben opgenomen. Het is een uitstekende gelegenheid om opnieuw kennis te maken met de  voortreffelijke rootsrock - gebaseerd op The Band - van Eggs Over Easy. Maar wat dit Eggs Over Easy-totaaloverzicht zo bijzonder maakt is de toevoeging van de Londense sessies met Chas Chandler: London ’71 is een overrompelend americana-album dat inderdaad de brille van Eggs Over Easy ten volle etaleert. Een geweldig overzicht deze dubbel-cd, maar likkebaardend kijk ik wel met een schuin oog naar de schitterend uitgevoerde vinyl-versie: een box met drie lp’s.

‘Party Party’ | ‘Arkansas’ | ‘Henry Morgan’ | ‘The Factory’ | ‘Face Down in the Meadow’ | ‘Home to You’ | ‘Song Is Born of Riff and Tongue’ | ‘Don’t Let Nobody’ | ‘Runnin’ Down to Memphis’ | ‘Pistol on A Shelf’ | ‘Night Flight’ | ‘I’m Gonna Put A Bar in the Back of My Car (& Drive Myself to Drink’ | ‘Horny Old Lady’ | ‘Fire’ | ‘Scene of the Crime’ | ‘Forget About It’ | ‘Louise’ | ‘Lizard Love’ | ‘You Lied’ | ‘Driftin’’ | ‘She Loves Me’ | ‘Action’ | ‘Mover’s Lament’ | ‘Nonnie Nookie No’ | ‘Goin’ to Canada’ | ‘I Can Call You’ | ‘Right On Roger’ | ‘Country Waltz’ | ‘Give Me What’s Mine’ | ‘Across from Me’ | ‘Waiting for My Ship’ | ‘January’ | ‘Give and Take’ | ‘Funky But Clean’ | ‘I’m Still the Same’ | ‘111 Avenue C’ 

Eerder gepubliceerd in popmagazine Heaven.

dinsdag 8 oktober 2013

Dr. Feelgood | Stupidity

Op 13 juli 1973 speelt Dr. Feelgood voor het eerst als hoofdact in Londen, in de Tally Ho – bakermat van de pubrock. En al vanaf dat moment zal de reputatie van dit vuige kwartet in Londen en omstreken groeien en groeien. In 1971 geformeerd op Canvey Island, een eiland in de monding van de Theems, bestaat Dr. Feelgood uit Lee Collinson (zang, mondharmonica), John Wilkinson (gitaar, gestoord podiumgedrag), John B. Sparks (bas) en John Martin (drums). Dr. Feelgood zet een nieuwe standaard door de furieuze en tomeloze inzet van de bandleden, die er overigens uitzien als slechtbetaalde kantoorklerken, elkaar voornamelijk negeren en hoe dan ook weigeren te lachen. Het is al vanaf het begin duidelijk: van zo’n band bestaat er geen tweede. Door dit opmerkelijke imago van explosieve liveshows en een verwilderde stage-act verwerft Dr. Feelgood in korte tijd een grote reputatie in het pubrockcircuit. Lee Collinson heet inmiddels Lee Brilleaux, John Wilkinson Wilko Johnson en John Martin The Big Figure. In 1975 ramt Dr. Feelgood er twee platen uit: Down By The Jetty en Malpractice, en gaat dan op tournee door Amerika. Bij terugkomst moet er een derde plaat komen, maar Wilko Johnson heeft geen enkele nieuwe song: ‘I’d got nothing, only a few ideas.’ En dus komt er een live-lp. 
In de Southend Kursaal wordt de thuiskomst van Dr. Feelgood gevierd en worden er opnamen gemaakt met een mobiele studio. Het nummer waarmee Dr. Feelgood opent – het meer dan toepasselijke ‘Going Back Home’ – zet de zaal gelijk in vuur en vlam. Dan volgen er zeven stomende rock-‘n-rollsongs waarin Wilko Johnson als een gestoorde gek over het podium rond rent en rond stuitert en Lee Brilleaux totaal buiten zinnen raakt. Op kant 1 van Stupidity staan echter zeven nummers van een concert in de Sheffield City Hall. En ook daar slaat de vlam in de pan als Brilleaux’ geile mondharmonica zich verheft boven de opvallend dunne slaggitaarsound van Johnson – die overigens wel als een hakbijl door het bas/drums-fundament klieft. Maar de keren dat de dolleman soleert, zoals in Bo Diddley’s ‘I ‘m A Man’, spat de kalk van het plafond. Dr. Feelgood laat weinig heel van zaal en publiek tijdens de uitvoering van weergaloos vuige rockstompers als ‘Talking About You’, ‘She Does It Right’ en Solomon Burke’s ‘Stupidity’. Het naar dit nummer vernoemde live-album verschijnt op 24 september 1976 en geeft een perfect beeld van de tomeloze energie van de band en de hechte en retestrakke live-sound van vooral de tandem Brilleaux/Johnson. Stupidity komt de arbitraire titel toe tot de beste live-albums ooit te behoren. In ieder geval weerspiegelt het de reputatie van The Feelgoods en geeft het de importantie weer van deze weergaloze pubrockband, maar laat Stupidity vooral ook een herinnering zijn aan Lee Brilleaux die op 7 april 1994 stierf, al op 41-jarige leeftijd slachtoffer van kanker.

Talking About You / 20 Yards Behind / Stupidity / All Through The City / I’m A Man / Walking The Dog / She Does It Right / Going Back Home / I Don’t Mind / Back In The Night / I’m A Hog For You Baby / Checking Up On My Baby / Roxette / Riot In Cell Block No. 9 / Johnny B. Goode

maandag 7 oktober 2013

Virginia Sisters | Last Pathetic Fool

Bij toeval ontdekt door Not Lame-platenbaas Bruce Brodeen in zijn woonplaats Fort Collins, Colorado, zijn de Virginia Sisters een uitzonderlijke vangst, want in het eerste decennium van de 21e eeuw zijn er weinig bands die op zo'n energieke en zelfverzekerde wijze eer betonen aan de Britse punk van The Clash, de pubrock van Graham Parker en de new wave van Elvis Costello. De band, in de klassieke trio-bezetting met Roy Anderson (zang, gitaar), Ben Prytherch (bas) en John Motley (drums), brengt helemaal de sfeer van de eind jaren zeventig terug: scherpe rocksongs, raspende gitaren en venijnige zang. Met topsongs als de heerlijke Costello-pastiche 'This One This Time', het wavy 'That's Just Wrong' en de pubrock-swagger van het fantastische 'Josephine's' is Last Pathetic Fool een tamelijk unieke retroplaat die zoete herinneringen aan de seventies oproept. Unieke retroplaat – maar ook de enige van de Virginia Sisters.

Dazzling Blue / Deranged / Oh The Night Is Fading Fast / Beautiful One / Thanks, But No / This One This Time / That's Just Wrong / Don't You Cry On Me / Everyone's Wrong / Leghorn / Caroline / Josephine's

donderdag 12 september 2013

Ernie Graham | Ernie Graham

Ernie Graham was de zoveelste loser in het immer groeiende leger van rock-‘n-rollmuzikanten die het niet hebben gemaakt. Maar ondanks dat was Graham een zeer getalenteerd muzikant die gerespecteerd werd door grootheden als Jimi Hendrix, Phil Lynott en Nick Lowe, en belangrijker nog, hij maakte een schitterende soloplaat. Ernie Graham uit 1971 heeft de tand des tijds in kwalitatieve zin zeker doorstaan, maar is voor de rest uit het collectieve geheugen van de pophistorie geschrapt. Net als zijn Ierse maker; verloren in de vergetelheid.
Belfast kende in de eerste helft van de jaren zestig van de 20e eeuw totaal geen rock-‘n-rollscene. De doorbraak van Van Morrison bracht hierin definitief verandering en dit was dan ook de reden dat Ernie Graham van leerling-automonteur switchte naar ritmegitarist in een popband. Tony And The Telstars speelden louter top-40-hits na en hadden de blik volledig op Engeland gericht. Na een korte stop in Engeland keerde Graham terug naar Ierland, naar Dublin, waar hij The People opricht. Ernie Graham ontmoet hier ook Hendrix-roadie Dave Robinson, die een grote rol zal spelen in Grahams leven. Door Robinsons bemoeienis tekent The People – omgedoopt tot Eire Apparant – bij het management van Jimi Hendrix, waardoor de band het voorprogramma gaat verzorgen voor Hendrix’ Britse en Amerikaanse tournee’s. Als gevolg waarvan Eire Apparant in 1968 onder productionele leiding van Hendrix himself in Amerika hun debuut opnemen. Een jaar later verschijnt Sunrise, een bluesrockplaat met psychedelische invloeden. Ondertussen is Dave Robinson teruggekeerd naar London en worden Ernie Graham en de zijnen uitgemolken door het management en op een zijspoor gerangeerd; het is het einde van Eire Apparant.
Robinson, daarentegen, weet zich binnen te werken bij de Londonse productiemaatschappij Famepushers. Naast onduidelijke en dubieuze praktijken runt Famespushers ook het management van Brinsley Schwarz, een taak die Dave Robinson op zich neemt. Robinson introduceert de naar Engeland uitgeweken Ernie Graham bij de club rondom Brinsley Schwarz en Help Yourself, de laatste een jonge rockband met groot potentiëel. Het van oorsprong Amerikaanse United Artists contracteert niet alleen beide bands maar ook de solo-artiest Ernie Graham. En zo neemt Graham in de Londonse Olympic Studios, met als begeleidingsband de gecombineerde Brinsley Schwarz/Help Yourself-club, in luttele weken gedurende de nachturen zijn soloplaat op.
Ernie Graham wordt gekenmerkt door een uiterst losse sfeer, waarvoor aanzienlijke hoeveelheden dope en drank verantwoordelijk zijn. Mellow – maar wel van het uiterst sfeervolle en doeltreffende soort – is de toepasselijke typering voor de fraaie en soepele rockmuziek die Graham en consorten voor het voetlicht brengen. Is ‘Sebastian’ nog een typerende folksong, die sterk refereert aan Bob Dylan, de daaropvolgende songs zijn beduidend complexer, donkerder en magischer. In trage en bedwelmende tempo’s brengt Graham niet alleen zijn elektrische gitaar in stelling maar ook die van Ian Gomm, Brinsley Schwarz, Malcolm Morley en Richard Treece. Met daaraan toegevoegd het rollende en soulvolle toetsenspel van Bob Andrews en de harmonievocalen van Gomm, Andrews en Nick Lowe. Rhythm and blues en slepende op Amerikaanse leest geschoeide rock vormen de ankers voor de groove die Graham met zijn muziekvrienden weet op te roepen. De prachtig broeierige gitaarlicks van Treece en Morley spelen een voorname rol op schitterende songs als ‘So Lonely’, ‘The Girl That Turned The Lever’ en ‘For A Little While’, terwijl ‘Sea Fever’ is opgebouwd rond in mineur getoonzette pianoakkoorden en ‘Don’t Want Me Around You’ gedomineerd wordt door het Hammond-spel van Bob Andrews. Het dreigende en onheilspellende ‘Blues For Snowy’ – een opzwepende blues – is echter het epicentrum van Ernie Graham; traag deinend en aangejaagd door messcherpe solo’s van de Help Yourself-gitaristen vormt deze intrigerende en inktzwarte rocksong hét hoogtepunt van Grahams voorbeeldige rockplaat. Ernie Graham is aldus qua sfeer en niveau op een lijn te stellen met het legendarische debuut van Brinsley Schwarz en roept op een ander niveau zelfs de herinnering op aan het werk van C,S,N&Y of aan de countryrockperiode van acid-heads The Grateful Dead.
Natuurlijk verkocht de lp bij zijn release in 1971 schrikbarend slecht, en dus liet Ernie Graham zich op bevel van Dave Robinson inlijven bij Help Yourself. Na één overigens prachtige plaat stapte Graham op en vormde hij het funkrock-collectief Clancy. Maar Clancy had het tij niet mee, want de punkrevolutie stond voor de deur. Ernie Graham – dan met onafscheidelijke whiskyfles – krijgt hier nog iets van mee als hij voor Stiff Records – mede opgericht door Dave Robinson – een single mag opnemen: de Phil Lynott-compositie ‘Romeo And The Lonely Girl’. Het is Grahams laatste opname, want de volgende tien jaar is hij werkzaam bij de Britse spoorwegen als steward op de Orient Express. Op 27 april 2001 overlijdt Ernie Graham aan een slopende ziekte, het gevolg van zijn nietsontziende levensstijl. Zijn nalatenschap voor de rockhistorie is een bescheiden klassieker.

Sebastian / So Lonely / Sea Fever / The Girl That Turned The Lever / For A Little While / Blues To Snowy / Don’t Want Me Round You / Belfast


dinsdag 5 maart 2013

Racing Cars | Downtown Tonight


In 1977 staan Racing Cars op Pinkpop. Dat hebben ze te danken aan de top 20-hit ‘They Shoot Horses Don’t They?’, een nikserig, slap popliedje. Het doet echter geen recht aan de lp waarvan de hit afkomstig is: Downtown Tonight. Het debuutalbum van de vijf muzikanten uit Zuid Wales is namelijk een zeer soulvolle rockplaat, waarop de band op fraaie wijze Amerikaanse rootsrock met Britse pubrock vermengt. Weliswaar bezit Downtown Tonight een gepolijst geluid, maar de laidbacksfeer, de groovy sound en de robuuste zang van Gareth Mortimer maken van Racing Cars het Britse neefje van Little Feat. Wat in schurende, stompende rocksongs als ‘Calling The Tune’, en ‘Pass The Bottle’ nog eens bevestigd wordt door gierend slidespel. Tezamen met een serie broeierige, shuffelende ballads is Downtown Tonight, ondanks de suffe hit, een warmbloedig rockalbum. Maar warmbloedige rockalbums raken net als Racing Cars eind jaren zeventig geheel uit de mode, want weggeblazen door punk.

Calling The Tune / Hard Working Woman / Ladee-Lo / Downtown Tonight / Pass The Bottle / Moonshine Fandango / Four Wheel Drive / Get Out And Get It / They Shoot Horses Don’t They?

donderdag 22 november 2012

Dire Straits | Dire Straits


Punk is in 1977 het lawaaiige verzet tegen de gevestigde muzikale orde en overschreeuwt zeker in het hippe Londen alles en iedereen. Voor een band die het liefst fluisterend en laidback speelt – en aldus op zijn eigen manier stelling neemt tegen de molochen van de rockmuziek – lijkt er nauwelijks enige aandacht. Toch, als een demo van 'Sultans Of Swing' gedraaid wordt in Charlie Gilletts Honky Tonk-radioprogramma, is Dire Straits binnen twee maanden getekend door major Phonogram voor maar liefst zeven lp's. Maar er is weinig opwinding, wat goed past bij de relaxte sound en de eenvoudige bezetting: zanger/gitarist Mark Knopfler, ritmegitarist en jonger broertje David, bassist John Illsley en drummer Pick Withers, de laatste afkomstig uit de progrockband Spring. Mark Knopfler, kantoorbediende, verslaggever en leraar, groeit op in Newcastle, studeert in Leeds en zoekt zijn geluk in Londen – en vindt dat met zijn eerste band, Dire Straits. In alle rust neemt het kwartet in februari 1978 in de Basing Street Studios zijn debuut op met producer Muff Winwood.
Dan, als in de zomer van 1978 de gelijknamige debuutplaat uitkomt, is er, hoe onmodieus ook, beslist sprake van een nieuw geluid. Toegegeven, de pubrock van Brinsley Schwarz, de americana van The Band en de relaxte backporch gitaarsound van J.J. Cale maken alle deel uit van de rootsy countrypop van de Londenaren, maar de clevere samensmelting van stijlen en invloeden leiden op het uitstekende debuut tot een niet eerder gehoord geluid. De simpele maar uiterst doeltreffende backbeat is het ideale fundament voor Knopflers pickin' gitaarsound en lekker slome zang, die niettemin een prima vehikel is voor sfeertekeningen van stadse taferelen en personages die met een enkele penseelstreek worden neergezet. 'Down To The Waterline' en 'Sultans Of Swing' zijn enthousiasmerende rocksongs, en 'Water Of Love' is een aanstekelijke zij het traditionele skifflesong. Maar uitblinkend in sfeer en melancholie zijn bedachtzame rockliedjes als het funky 'In The Gallery', 'Wild West End', 'Lions' en het stompende 'Six Blade Knife'. En zo is Dire Straits, met op de hoes een sfeervol en mysterieus schilderij van Chuck Loyola, van een bewonderenswaardige onnadrukkelijkheid; wars van pretenties, wars van kapsones. Maar in Engeland wordt het album lauw ontvangen, dit in tegenstelling tot een razend enthousiaste ontvangst in Amerika, Duitsland en ook Nederland – en dé zomerhit van 1978 is 'Sultans Of Swing'.
Miljoenen exemplaren worden er verkocht van Dire Straits, een lot dat de plaat deelt met alle volgende Dire Straits-platen, wat de band tot een van de grootste bands ter wereld maakt. Met als onvermijdelijk gevolg een imago van zelfvoldane mannen, het zicht ontnemend op dat frisse, speelse en ook magistrale debuut.

Down To The Waterline / Water Of Love / Setting Me Up / Six Blade Knife / Southbound Again / Sultans Of Swing / In The Gallery / Wild West End / Lions 

zondag 16 september 2012

Brinsley Schwarz | Brinsley Schwarz



In de weken die eindigen op 18 en 25 oktober 1969 staat er een advertentie in de Britse Melody Maker die afkomstig is van Famepushers Ltd. Achter dit bedrijf schuilen de zakenlui Edward Moulton en Stephen Warwick, entrepeneurs die actief zijn in de filmindustrie en zich verder bezighouden met de exploitatie van een vakantie-eiland in de monding van de Thames, de organisatie van het spectaculairste bridgetoernooi ooit en voor de rest met alles waar geld mee valt te verdienen. Dus zijn Moulton en Warwick via een advertentie op zoek naar een jonge band met songschrijverskwaliteiten. De zojuist van Kippington Lodge naar Brinsley Schwarz omgedoopte band – bestaande uit Brinsley Schwarz, Billy Rankin, Nick Lowe en de net toegetreden Bob Andrews – reageert op de oproep. Nadat het viertal onder de naam Kippington Lodge een vijftal geflopte singles heeft uitgebracht, schept de nieuwe naam nieuwe kansen. En deze nieuwe kans dient zich aan als de mannen achter Famepushers heil zien in de potentie van Brinsley Schwarz. Dave Robinson – ex-roadie van Jimi Hendrix – wordt door Famepushers aangesteld als producer en manager. Binnen afzienbare tijd – gedurende welke de Brinsleys in de studio schaven aan hun debuut-lp – weet de handige Robinson een platencontract bij United Artists af te dwingen door een kant en klaar product, inclusief de door grafisch artiest Barney Bubbles ontworpen hoes, te presenteren. Het gretige label verstrekt een fiks voorschot – dat overigens direct bij Famepushers terecht komt. Het schept echter wel verplichtingen, vandaar dat Robinson samen met de opportunistische denktank van Famepushers een ongekend spectaculaire publiciteitsstunt verzint.
De eerste kennismaking met de pers moet, aldus de megalomane leiding van Famepushers, daarom plaatsvinden in een aansprekende gelegenheid, en die aansprekende gelegenheid is The Fillmore East te New York. Het moet het Famepushersteam – en Dave Robinson in het bijzonder – worden nagegeven; zij krijgen het voor elkaar om met een van Aer Lingus gehuurd toestel 140 journalisten van allerlei pluimage over te brengen naar New York, alwaar Brinsley Schwarz op 4 en 5 april 1970 in The Fillmore East zal optreden in het voorprogramma van Van Morrison en Quicksilver Messenger Service. De ondernemingsgeest van Famepushers ten spijt, het plan draait op een totale mislukking uit. Allereerst krijgen Lowe, Andrews en Rankin geen visum voor Amerika, zodat het drietal via Canada de Verenigde Staten wordt ingesmokkeld. Dit plan lukt, ook al zal de band vlak voor de soundcheck in The Fillmore East arriveren. De krakkemikkige Air Lingus Boeing, met aan boord de Britse pers, krijgt kort na het vertraagde vertrek panne, zodat het gerepareerd moet worden op Shannon Airport. De journalisten worden onthaald op gratis drank in de airport-lounge en in combinatie met de meegebrachte drugs is dit de oorzaak dat het zaakje compleet ontspoort. Meer dan 100 totaal beschonken en benevelde journalisten zijn er op het nippertje getuige van dat Brinsley Schwarz, op gehuurde apparatuur en instrumenten, een rampzalig optreden verzorgen. De kritieken in de Britse bladen zijn vernietigend: ‘The Biggest Hype Of All Time’ (Melody Maker).
The band voelt zich totaal vernederd, maar ondanks dat verschijnt op 17 april 1970 de debuut-lp Brinsley Schwarz. Een debuut-lp die er zijn mag. In de zeven composities, waarvan zes van de hand van Nick Lowe, komt een beeld naar voren van een sympathieke band die met veel gevoel voor harmonie en muzikaliteit in een tradionele bezetting de sterren simpelweg van de hemel speelt. Er is een meer dan prominente rol voor de rollende orgelklanken van Bob Andrews, waardoor er overeenkomsten zijn met Caravan en Traffic. De belangrijkste invloed is echter gelet op de meerstemmige zang en het evidente Westcoast-gevoel Crosby, Stills, Nash & Young. Lowe transporteert op welhaast perfecte wijze de Californische sfeer naar het Britse landschap, zoals in Mayfly: I’m going down to the valley / Find myself a Mayfly. De nummers, die in lengte variëren van vier tot tien minuten, laten – hoewel misschien niet altijd even origineel – een grote rijkdom zien. Het is dan ook, ondanks het debacle, terecht dat de debuutplaat Brinsley Schwarz op zijn eigen merites is beoordeeld en goed ontvangen is in de Britse pers. Terecht, omdat Brinsley Schwarz later met Despite It All, Silver Pistol en Nervous On The Road meesterlijke platen afleverde. En vooral – als reactie op de grootheidswaan van het debuutoptreden – omdat Brinsley Schwarz één van de initiators was van de pubrock. Een levendige pretentieloze stroming die respectvol putte uit de geschiedenis van rock & roll, soul en rhythm & blues en die countryrock verbond met punk. Brinsley Schwarz zijn daarmee de aartsvaders van de ongedwongen liedjes, de kleinschalige optredens en de goudeerlijke rockmuziek. Het schitterende debuut Brinsley Schwarz was in 1970 de illustere voorbode van de pubrock en is om die reden een scharnierpunt binnen de 20e eeuwse popmuziek.

Hymn To Me / Shining Brightly / Rock And Roll Women / Lady Constant / What Do You Suggest? / Mayfly / Ballad Of A Has-Been Beauty Queen

donderdag 13 september 2012

Frankie Miller | Once In A Blue Moon

Hij is beroemd om zijn schuurpapieren stem, maar daarnaast is Frankie Miller een begenadigde songsmid die liedjes schrijft op het snijvlak van soul, country en blues. Als Miller in 1970 verhuist van Glasgow naar Londen en optredens doet in het pubcircuit, wordt hij ontdekt door Procol Harum-gitarist Robin Trower. Deze lijft hem in bij zijn nieuwe groep Jude, maar begin '72 is Frankie weer in z'n eentje, al heeft hij er wel een platencontract bij Chrysalis aan overgehouden en wordt hij voor de opnamen van zijn debuutplaat gekoppeld aan Brinsley Schwarz. Opgenomen in de Rockfield Studios in Wales en geproduceerd door Brinsley-manager Dave Robinson, is Once In A Blue Moon een staaltje excellente rootsrock. De begeleiding door de Brinsleys is voortreffelijk; ruimtelijk, droog en uitermate soulvol door Bob Andrews' Hammond-orgel en de gitaarlicks van Ian Gomm en Brinsley Schwarz. Nick Lowe zorgt samen met een gospel-achtig dameskoortje voor heerlijke achtergrondzang; dit alles vormt de perfecte begeleiding voor Millers briljante zang. Swingende liedjes als 'You Don't Need To Laugh (To Be Happy)', 'It's All Over' en 'In Noresistance', evenals de magnifieke soulballads 'I Can't Change It' en 'After All (Live My Life)' zijn dan ook schitterend uitgevoerd en bezwangerd met geweldige melodieën bovendien. Al op zijn debuut klinkt de dan 22-jarige Miller volgroeid en uitermate zelfverzekerd; Once In A Blue Moon is gelijk een meesterwerkje van formidabele rootsrock.

You Don't Need To Laugh (To Be Happy) / I Can't Change It / Candlelight Sonata / Ann Eliza Jane / 'It's All Over / In Noresistance / After All (Live My Life) / Just Like Tom Thumb's Blues / Mail Box / I'm Ready