Posts tonen met het label 1986. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1986. Alle posts tonen

zondag 18 februari 2018

The Smithereens | Especially For You

Vijfentwintig is Pat DiNizio al als hij zijn baantje van vuilnisophaler eindelijk kan verruilen voor een meer glamoureus bestaan als zanger/gitarist van een rock-’n-rollband. In 1980 richt hij in New Jersey, leunend tegen New York City, met Jim Babjak (gitaar), Mike Mesaros (bas) en Dennis Diken (drums) The Smithereens op. Het duurt dan nog tot maar liefst 1986 voordat hun debuut-lp uitkomt. Maar Especially For You is wel gelijk raak. 
In een typisch jarentachtigproductie (met die galmende drums) van Don Dixon is Especially For You met zijn mix van rock-’n-roll, doo-wop en new wave een echte New York-rockplaat. Especially For You bestaat bovendien bijna geheel uit ijzersterke poprocksongs die vooral swingen en catchy zijn (‘Strangers When We Meet’, ‘Listen To Me Girl’, ‘Time and Time Again’, ‘Behind the Wall of Sleep’, ‘Blood and Roses’, Alone At Midnight’) maar ook af en toe weemoedig en introspectief (‘Cigarette’, ‘In A Lonely Place’). Especially For You is een geweldig debuutalbum, bezorgt The Smithereens direct een doorbraak, en is de opmaat voor een serie min of meer succesvolle albums, zoals Green Thoughts (1988) en 11 (1989). 
Eind jaren negentig houden The Smithereens het aanvankelijk voor gezien, maar maken na een aantal jaren toch weer een bescheiden comeback. The Smithereens komen echter definitief tot een halt als Pat DiNizio in december 2017 op 62-jarige leeftijd overlijdt.

‘Strangers When We Meet’ | ‘Listen To Me Girl’ | ‘Goovy Tuesday’ | ‘Cigarette’ | ‘I Don’t Want To Lose You’ | ‘Time and Time Again’ | ‘Behind the Wall of Sleep’ | ‘In A Lonely Place’ | ‘Blood and Roses’ | ‘Crazy Mixed-up Kid’ | ‘Hand of Glory’ | ‘Alone At Midnight’

zondag 23 maart 2014

The Cynics | Blue Train Station

Gregg Kostelich is een enorme fan van sixties garagepunk en dus ligt het voor de hand dat hij zijn eigen garagerockband opricht. Dat gebeurt in 1983 in Pitsburgh, Pennsylvania en die band heet The Cynics. Eerst is het veelal oefenen in Kostelichs kelder, maar als The Cynics in 1985 een bezetting hebben naar de zin van diens oprichter ontwikkelen ze zich tot een opzwepende liveband, die het Midwesten bestookt met lawaaiige psych-punk. Na een aantal heerlijk primitieve singles en verschijningen op interessante neo-garageverzamelaars nemen gitarist Kostelich, drummer Bill Von Hagen, bassist Steve Magee, Farfissa-speler Beki Smith en zanger met de woeste schreeuw Michael Kastelic hun debuutplaat op in een zaaltje in de Aircraft Studios. In korte tijd en nagenoeg live kwakken The Cynics een serie rauw-rammelende songs op de band, waarvan er twaalf terechtkomen op Blue Train Station. Tussen de covers van The Remains, The Litter en meer obscure bands als The Sparkles, de Australische Sunsets en de Ierse Wheels, bevinden zich acht Kastelic/Kostelich-composities en samen vormen ze een samenhangend, rammelend geheel. In de stompende eigen composities – alle acht goed – klinken The Cynics energiek, fel en gruizig als grind. Striemende gitaren, een bonkende bongobeat, een zeikerig orgeltje en Kostelichs doordenderende fuzzgitaar zijn het fundament voor de oerbrul van Kastelic en diens kermende mondharmonica, dit alles tezamen komend in de uitputtende afsluiter, het stampende, kolkende 'Roadblock'. Blue Train Station is de eerste van een trits klassieke neo-garageplaten die ervoor zorgen dat The Cynics in Europa een fikse populariteit verwerven en ook in 1991 live voor de VPRO-radio optreden. Echt goede albums zoals Blue Train Staion en Rock 'N' Roll uit 1989 maakt de band dan niet meer.

Blue Train Staion / On The Run / Waste Of Time / No Friend Of Mine / Soul Searchin' / Love Me Then Go Away / No Way / Hold Me Right / Why You Left Me / I Can't Get Away From You / I Want Love / Road Block

zondag 23 juni 2013

The Not Quite | The Not Quite

Al in 1977 is de eerste versie van The Not Quite actief in Enfield, Connecticut. Alleen bassist en songschrijver Rob Mckenzie is nog over van de originele bezetting als The Not Quite begin 1984 zijn definitieve vorm krijgt met zanger/gitarist Joe Guidone, leadgitarist Morrie McCarthy en drummer Tom Donelly. Naast de optredens in het live-circuit van Connecticutt zijn de eerste tekens van leven demo-uitvoeringen van 'Paint Me In A Corner' op de legendarische Garage Sale-verzamelaarcassette en 'Wars Or Hands Of Time' op de Glitterhouse-verzamelaar Declaration Of Fuzz. Ondertussen werkt de band, aangevuld met toetsenist en technicus Mike Zappulla, in de eigen kelderstudio aan het materiaal voor de debuut-lp, dat in de Nickel Studio's in Hartford wordt vastgelegd. In 1986 komt dat album uit: op het Nederlandse Resonance-label. Het zelfgetitelde album is gevuld met sixtiespunk en fuzzende gitaren, zo blijkt uit de openingssongs 'Let Her Go' en 'Get Lost Girl'. Dan is er een superieure versie van The Masters Apprentices' 'Wars Or Hands Of Time' en prachtige Byrdsy folkrock met galmende 12-snarige Rickenbacker in 'I Don't Know How To Tell You'. Niet alleen zijn er nog albumhoogtepunten in 'Paint Me In A Corner' en het sublieme 'Just Like Us', The Not Quite is, althans bij de eerste 1.000 stuks, vergezeld van een exclusieve single, wat The Not Quite tot een begerenswaardige neo-garage-collector maakt. De band vergaat het na de release van het debuut niet bijzonder goed; een vervolgalbum wordt afgekeurd en postuum verschijnt in 1990 en tweede langspeler. Op Voxx, dat wel.

Let Her Go / Get Lost Girl / Wars Or Hands Of Time / I Don't Know How To Tell You / Get Away / Mushroom People / You're Gonna Need Me / Just Like Us / Heaven Sent / Fickle Wind / Paint Me In A Corner

maandag 20 mei 2013

The Saints | All Fools Day


The Saints van de debuutsingle 'I'm Stranded' uit 1976 is een heel andere dan die van All Fools Day. Die debuutsingle is punk van het eerste uur en slaat in Engeland in als een bom. Niet gek voor een band uit Brisbane, Australië. De constante factor in The Saints door alle jaren heen is Chris Bailey, een romantische ziel die zijn jeugd doorbrengt in Belfast, Ierland en zijn puberjaren down under. Na een niet geheel gelukt punk-avontuur – een periode die Bailey platzak en als straatzanger afsluit – pendelt de rusteloze alcoholist tussen Australië en Engeland, maar richt toch in Brisbane weer een nieuwe Saints op. In steeds wisselende samenstellingen bedient Bailey zich van blazers, strijkers en nemen rinkelende akoestische gitaren en heldere elektrische een steeds dominantere plaats in. Halverwege de jaren tachtig heeft Bailey The Saints weer behoorlijk op de rails en is de band onderdak bij het Australische Mushroom-label. Die stuurt The Saints naar Wales om daar met postpunkproducer Hugh Jones een nieuw album op te nemen dat in maart 1986 op de Australische markt komt: All Fools Day. 
 De zevende Saints-lp is een juweel van een album, dat gekenmerkt wordt door een organisch en transparant geluid – Jones produceerde eerder Echo & The Bunnymen en The Sound – en dat vooral veel celtic soul bevat. Bailey laat zich in soulvolle sturm-und-drang-songs overduidelijk gelden als de Van Morrison van de punkgeneratie. Energiek en sprankelend in de bijna-hit 'Just Like Fire Would' en in het door strijkers en blazers opgepookte 'Hymn To Saint Jude', rockend en snerend in 'Empty Page' en lyrisch lallend in 'Celtic Ballad', dat pure Ierse folk is. Bailey en zijn Saints schitteren echter vooral in de donker getinte ballads: in 'Blues On My Mind' klinkt Bailey als Tom Waits ten tijde van Closing Time; het schitterende titelnummer 'All Fools Day' viert en betreurt het aardse bestaan. Het sleutelnummer van All Fools Day is niettemin het hemelbestormende 'See You In Paradise', dat soul, rock en folk versmelt tot een smeulend amalgaam en waarin Bailey zijn boodschap aan de wereld uitdraagt: There be no call to arms tonight / And this ain't no holy fight / I'll see you in paradise / I'll see you in paradise. Beter dan All Fools Day zullen The Saints niet meer worden; nooit meer.

Just Like Fire Would / First Time / Hymn To Saint Jude / See You In Paradise / Love Or Imagination / Celtic Ballad / Empty Page / Big Hits (On The Underground / How To Avoid Disaster / Blues On My Mind / Temple Of The Lord / All Fools Day

zondag 21 april 2013

The Sick Rose | Faces


Ook Italië heeft in de jaren tachtig zijn garagescene. Vanuit Pavia creëert Claudio Sorge met zijn Electric Eye-label een scene naar het Amerikaanse voorbeeld waar jonge beatgroepen de garagepunk van de sixties herontdekken. De grootste troef van Electric Eye is The Sick Rose, een neo-garageband uit Turijn, in 1983 opgericht door zanger Re Luca en gitarist Diego Mese en vernoemd naar een gedicht van William Blake. Zij dragen bij aan de verzamelaars Eighties Colours, Declaration Of Fuzz en Battle Of The Garages Vol. IV en debuteren met de fantastische single 'Get Along Girl!'. Die wordt eind '86 opgevolgd door Faces, een rammelend, gruizig garagepunkalbum. Over de strakke beat van bassist Mauizio Campfisi en drummer Dante Garimanno legt Rinaldo Doro een dreinende laag Farfisa, waarover Diego Meso dreunende fuzzgitaren en jengelende tremolo drapeert. Vol venijn – en zichzelf begeleidend met maraccas – spuugt Luca Re zijn primitieve teksten met Italiaanse dikke tong in de microfoon; The Sick Rose is pure eurotrash. Eén cover – van de Amerikaanse Outsiders – bevindt zich tussen de elf bandcomposities, die wringen, swingen en hypermelodieus zijn: 'Searching For', 'Nothing To Say', 'Everybody Wants To Know', 'About You' en de fantastische catchy garagepunker 'It's A Mystery'. Faces is de beste Italiaanse gragerockplaat ooit gemaakt en behoort de canon van de Europese neo-garagerock. Een obscure klassieker dus.

Searching For / It's A Mystery / Nothing To Say / Night Comes Falling Down / I Don't Care (She Doesn't Care) / I'm Not Trying To Hurt You / Everybody Wants To Know / You've Got My Mind / About You / Black Or White / Can You Find Me A Place / What You Are (Bad Girl!)

vrijdag 19 april 2013

The Last Drive | Underworld Shakedown


De sirtaki doen ze niet, maar wel vuige surfinstrumentals. Geen mandolines en balalaika’s, maar wel Voxx- en Rickenbackergitaren. Een minimale drumkit en tonnen echo. The Last Drive, een garageband uit Athene, Griekenland. Onwaarschijnlijk maar waar. Op de golven van het hoogtij van Amerikaanse neo-psychedelische beatbands die Europa overvallen, ontstaat er iets moois in die garage in Athene. The Last Drive wordt in 1983 opgericht door Alex K., zang en ripper bass, Nick “Pop Mind”, fuzztone gitaar en feedback, en drummer Chris B.I. Aanvankelijk is The Last Drive een coverband die rockabilly en psychobilly door de mangel haalt. Maar als George, slide en fuzztone mess, overkomt van Burnin’ Skulls stapt The Last Drive definitief over naar de garagepunk van The Sonics en The Cramps. Na intensief toeren door het garagegekke Griekenland en het releasen van de single ‘Midnight Hop’, tekent The Last Drive in 1986 voor het zojuist opgerichte neo-garagelabel Hitch-Hyke Records. Gelijk duikt de band de studio in en produceert zelf de debuut-lp Underworld Shakedown. De lp – gestoken in een kanariegele punky hoes – trapt af met de scheurende instrumental ‘Me ’N My Wings’. De gitaren van Nick en George gaan gelijk in de overdrive en zullen daar de hele lp op blijven staan. Underworld Shakedown is een fuzzende en galmende rockplaat waarop surfinstrumentals afgewisseld worden met treffend gekozen covers en melodieuze – maar wel in feedback gedrenkte – eigen composities als ‘Valley Of Death’ en ‘Every Night’. ‘Repulsion’, met zijn rondzingende- en zagende gitaren, brengt Underwold Shakedown naar een zinderend eind. De plaat wordt bij de garagisten uitstekend ontvangen, hetgeen in een tournee door West Europa resulteert – en ook in een optreden in de Amsterdamse Stip. The Last Drive vindt vervolgens een plekje op Greg Shaws verzamelaar Battle Of The Garages Vol.IV en maakt nog de opvolgers Heatwave en Blood Nirvana. Maar al in 1990 is het heilige vuur gedoofd, al houdt The Last Drive het nog vol tot 1995.

Me ’N My Wings / Valley Of Death / Poison / Misirlou / This Fire Inside / Blue Moon / Sidewalk Stroll / The Shade Of Fever / Every Night / The Night Of The Phantom / Repulsion

vrijdag 22 maart 2013

The Creeps | Enjoy The Creeps


Almhult is een afgelegen stadje in de bossen van Zuid-Zweden. In het begin van de jaren tachtig herbergt het een modband en een garagepunkgroep: The Pow en The Creeps. The Pow wordt geleid door Hans Ingemannson, The Creeps door zijn jeugdvriend Robert Jelinek. Een van een tape opgenomen track van The Creeps verschijnt in 1985 op de neo-garageverzamelaar A Real Cool Time, maar een jaar eerder zijn The Creeps al ter ruste gelegd. De bassist en drummer moeten hun dienstplicht vervullen, waarna de overgebleven Jelinek begin 1984 gitarist van The Pow wordt, terwijl Ingemannson op zijn beurt orgel gaat spelen in een door Jelinek nieuw opgezette Creeps. Maar twee bands is teveel van het goede voor het duo en dus gaat The Creeps in winterslaap. The Pow daarentegen gaat op tournee door Duitsland, wordt aanmerkelijk ruiger door Jelineks garagerock-inbreng en diens rauwe stemgeluid, en neemt een passender naam aan: The Backdoor Men. Via het Tracks On Wax-label verschijnt in juni 1985 de fenomenale single ‘Out Of My Mind’, gevolgd door vele optredens in Duitsland waar de band populair is, en de geweldige folkrocksingle ‘Going Her Own Way’ op het Duitse FAB Records. Gestimuleerd door het succes van The Backdoor Men brengt Robert Jelinek de oorspronkelijke Creeps, met bassist Anders Johansson en drummer Patrick Olsson, weer tot leven. 
Als The Creeps een contract tekenen met Tracks On Wax richt Jelinek zich geheel op zijn eigen band en heffen The Backdoor Men zichzelf op wegens gebrek aan een zanger. Backdoor Men-gitarist Hans Ingemannson stapt over naar The Creeps en wordt daar bespeler van een Farfisa-orgel. In deze viermansbezetting nemen The Creeps in kleine lokale studio’s Jelineks composities op, met als resultaat Enjoy The Creeps. Twaalf opwindende, rauwe rhythm & blues-nummers in de stijl van Them en The Pretty Things, met in de hoofdrollen Ingemannsons gierende orgeltje, Jelineks fuzzende gitaar en bluesy stem. Naast dampende covers van ‘Maintaining My Cool’ en ‘I’m A Rolling Stone’, beide van The Sonics, klinken Robert Jelineks opwindende, soulvolle liedjes als klassiekers uit de beatgeschiedenis. De rhythm & blues-ballads ‘Darling’ en ‘Come Back, Baby’ laten een radeloze, maar meesterlijk zingende Jelinek horen, terwijl een stompende beat, overstuurde gitaren en het gemeen knerpende orgeltje ‘The Creep’, ‘She’s Gone’ en ‘Ain’t No Square’ naar grote hoogten stuwen. Maar niet zo hoog als ‘Down At The Nightclub’, klinkend als Them met een furieuze Van Morrison, en zondermeer een van de beste songs van de het neo-garage tijdperk. Enjoy The Creeps wordt in Zweden uitgebracht in een oplage van 2.000 stuks en bij FAB Records in Duitsland in een oplage van 1.750, waardoor de plaat al snel uitverkocht raakt. Maar daar staat niemand bij stil als The Creeps tekenen bij major WEA, bij wie het zeer matige Now Dig This! verschijnt. The Creeps worden echter een totale aanfluiting als ze op Blue Tomato een soort van partyfunk spelen. Het is in niets vergelijkbaar met Enjoy The Creeps, een ware neo-garage klassieker.

Down At The Nightclub / Ain’t No Square / Come Back, Baby / Rattlesnake Shake / City Of People / Just What I Need / The Creep / Darling / Hi, Hi, Pretty Girl / Maintaining My Cool / I’m Rolling Stone / She’s Gone 

zaterdag 12 januari 2013

Nick Cave and The Bad Seeds | Kicking Against The Pricks


Met de opkomst van The Birthday Party staat een van de grootste muzikale talenten op van de jaren tachtig: Nick Cave. In de eind jaren zeventig voert hij in Melbourne, Australië The Boys Next Door aan, die na een naamswijziging in The Birthday Party in 1980 naar Engeland emigreren. Aldaar maakt de sinistere muzikantenbrigade naam met shockerende live-optredens, die worden gekenmerkt door een cocktail van dierlijke agressie, morbide duiveluitbannerij, Stooges-punk en Beefheart-gekte. Ditzelfde geldt voor de welhaast muzikale gewelddadigheid op de albums Prayers On Fire en Junkyard, waarna The Birthday Party na nog twee finale ep's is opgebrand en de maniakale voorganger Cave verhuist naar West-Berlijn. Daar legt Nick Cave het aan met de radicale punkers van Einstürzende Neubauten en richt daar zijn naar een roman van William March vernoemde begeleidingsband op: The Bad Seeds. En met The Bad Seeds en de albums From Her To Eternity en The Firstborn Is Dead verlegt Cave zijn grenzen van meedogenloze noiserock naar het Amerikaanse erfgoed van John Lee Hooker, Elvis Presley, Leonard Cohen en Bob Dylan. Bijbelse mythes, de literatuur van het zondige Amerikaanse zuiden en het zwakke vlees zijn de pijlers waarop Cave, gitarist Blixa Bargeld (Einstürzende Neubauten), gitarist-pianist Mick Harvey (Birthday Party), bassist Barry Adamson (Magazine) en drummer Thomas Wydler (Die Haut) steunen. En meer en meer dringt Nick Cave's sterk geromantiseerde fascinatie voor country & western door in de muziek van The Bad Seeds. Dat blijkt wel uit zijn volgende project: een plaat vol covers, uitgekozen door Cave omdat hij ze simpelweg mooi vindt.
De opnamen beginnen eind '85 in de AAV Studios in Melbourne, maar slechts met de ritmetandem Adamson/Wydler, waaroverheen Blixa Bargeld in een later stadium zijn onconventionele, maar sobere gitaar-sausje giet. Na het vertrek van de Europeanen zijn het gitarist Hugo Race en de Birthday Party-leden Mick Harvey, bassist Tracy Pew en gitarist Roland S. Howard die hand- en spandiensten verrichten voor Cave, die voor zijn doen zo mooi mogelijk zingt, ja zelfs croont. Dan gaan de basistapes mee naar naar Berlijn, waar in de Hansa Tonstudios The Bad Seeds en de strijkers van het Berliner Kaffeehausmusik Ensemble de opnamen van Cave's derde solo-album afronden. Eind juli '85 komt de plaat uit onder de bijbelse titel Kicking Against The Pricks – een titel ontleend aan Handelingen 26:14 – en daarop twaalf voornamelijk goed, en een enkele keer obligaat gekozen covers. Voor de hand liggend zijn het van Jimi Hendrix bekende 'Hey Joe', de van Johnny Cash en The Band bekende Lefty Frizzell-compositie 'Long Black Veil' en de versie van de Velvet Underground-klassieker 'All Tomorrows Parties'. Interessanter wordt het met de rauwe met punk ingespoten countryblues 'I'm Gonna Kill That Woman' (John Lee Hooker), de gospeltradional 'Jesus Met The Woman At The Well' (The Alabama Singers), het folkliedje 'The Carnival is Over' van Cave's landgenoten The Seekers en een mooie ingehouden versie van Johnny Cash' 'The Singer (a.k.a. The Folksinger)'. Schitterend is de flood-song 'Muddy Water' van de Texaanse Free-toetsenist John 'Rabbit' Bundrick, meeslepend 'The Hammer Song' van de Schotse dronkenman Alex Harvey en relatief bombastisch het van Gene Pitney bekende 'Something Gotten Hold Of My Heart', overigens heerlijk schmierend door Cave gezongen. Ronduit subliem zijn Cave's interpretaties van de Jimmie Webb-original 'By The Time I Get To Phoenix', tot hit gezongen door Glen Campbell en hier onderkoeld neergezet, en de Mickey Newbury-compositie 'Sleeping Annaleah', die Nick Cave alleen maar kent in een uitvoering van Mr. Sexy, Tom Jones, en aldus hevig croonend en galmend vertolkt.
Al met al is Kicking Against The Pricks een bijzonder liefdevol eerbetoon aan de klassiekers van de populaire muziek. Het laat Nick Cave zien van zijn zachte, romantische kant, waarmee het prachtige liedjesboek van andermans werk een nieuwe fase inluidt in het onvoorstelbare rijke oeuvre van Nicholas Edward Cave.

Muddy Water / I'm Gonna Kill That Woman / Sleeping Annaleah / Long Black Veil / Hey Joe / The Singer / All Tomorrows Parties / By The Time I Get To Phoenix / The Hammer Song / Something's Gotten Hold Of My Heart / Jesus Met The Woman At The Well / The Carnival Is Over

zondag 5 augustus 2012

The Pandoras | Stop Pretending

Feministisch en feminien, grofgebekt en luidruchtig, maar ook charmant, sexy en op het podium slechts gekleed in een bikini: Paula Pierce. Vanaf eind jaren zeventig is Paula Pierce gitarist in Los Angeles-bands als The Rage, Direct Hits en Action Now, maar in 1983 richt de 23-jarige Pierce haar eigen band op: The Pandoras. Aangestoken door het garagerock-virus is Pierce de compromisloze psychedelische punkrocker die met maniakale stem en haar vintage Vox-gitaar de concertzalen van Hollywood en Sunset Boulevard in vuur en vlam zet. Aan haar zijde heeft zij een trio vervaarlijke en uitdagende meiden: Gwynne Kelly (orgel), Casey Gomez (drums) en Debby Mendy (bas) en later Bambi Conway. De ruige sound, gebaseerd op The Shadows Of Knight, The Chocolate Watchband en The Standells, trekt al snel de aandacht van eerst het Moxy-label en later garagepunk-supremo Greg Shaw. Voor de eerste nemen The Pandoras hun debuutsingle op; voor de tweede hun ultraruige debuutplaat It’s About Time. Maar dan ontstaat er onenigheid over de muzikale richting waardoor de despotische Pierce de overige drie uit The Pandoras flikkert. De resterende drie willen doorgaan als The Pandoras, maar Paula Pierce brengt doodleuk met haar nieuwe Pandoras in 1985 de geweldige Voxx-single ‘Hot Generation’ uit. Met de 17-jarige Melanie Vammen (orgel), Karen Blankfeld (drums) en later Kim Shattuck (bas) gaan The Pandoras uitgebreid toeren en verschijnen ze op de lokale tv. Voor Rhino Records nemen ze dan voor $ 3.500 hun tweede lp op. Producer Bill Inglot reist met de band door Los Angeles om elke keer in een niet-bezette en dus goedkope studio op te nemen. Niettemin is Stop Pretending een zeer consistente rockplaat; een monster van een rockplaat. Stop Pretending is een feest van fuzz, Farfisa en Vox-gitaren; twaalf rammeiende rockers, door het viertal gebracht met tomeloze energie en bijbehorend primitivisme. De elf Pierce-composities zijn bijna alle voorzien van klassieke garagepunkriffs, zoals de kunstig van The Kinks geleende gitaarrif in het prachtige ‘In And Out Of My Life (In A Day)’, ‘You’re All Talk’ met de staccato-Outsiders-gitaarriff en garagerock-nuggets als ‘You Don’t Satisfy’ en ‘The Way It’s Gonna Be’ ‘That’s Your Way Out’ van het vorige album wordt nog even dunnetjes – maar wel scheurend en fel – overgedaan, terwijl The Pandoras in het heerlijk jengelende Byrdsy ‘Stop Pretending’ even de gaspedaal loslaten. Het vervolmaakt de klassieke neo-garageplaat die Stop Pretending is. Muzikale meningsverschillen blazen opnieuw The Pandoras op; Vammen en Shattuck gaan verder met The Muffs, Paula Pierce richt wederom een nieuwe Pandoras op. Maar The Pandoras zijn geen lang leven beschoren, want op 10 augustus 1991 overlijdt de 31-jarige Paula Pierce zeer plotseling aan de gevolgen van een aneurysma.

In And Out Of My Life (In A Day) / I Didn’t Cry / Anyone But You / You’re All Talk / That’s Your Way Out / You Don’t Satisfy / Let’s Do Right / I’m Your Girl / The Way It’s Gonna Be / Stop Pretending / Ain’t Got No Soul / It Felt Alright

dinsdag 17 juli 2012

Green Pajamas | Book Of Hours

Ondanks de lijvige discografie is Green Pajamas een bescheiden band. De band uit Seattle maakte tussen 1984 en 2006 zo’n twintig albums, maar trad zeer weinig op en hield zich voornamelijk op in de studio. Green Pajamas is even bescheiden en verlegen als diens voorman Jeff Kelly. Green Pajamas ontstaat in 1983 als Jeff Kelly en Joe Ross elkaar op een feestje tegenkomen en erachter komen dat ‘Rain’ van The Beatles hun beider favoriete nummer is. Twee dagen later spelen ze samen met drummer Karl Wilhelm in een band: Felix The Cat Explodes. Kort daarop verandert het drietal zijn naam in het iets minder ridicule Green Pajamas. Intussen heeft het trio talloze nummers opgenomen in de huisstudio van Kelly en laat deze uitbrengen op Green Monkey, een label dat alleen maar cassettes uitbrengt. De debuutplaat Summer Of Lust verschijnt in 1984 dan ook alleen op cassette. Maar de Green Pajamas zijn ambitieus en productief – zanger/gitarist Jeff Kelly legt honderden uren muziek vast in zijn portable studio. Voor de opnamen van de opvolger treden gitarist Steve Lawrence en toetsenist Bruce Haedt toe, terwijl Joe Ross de band verlaat wegens ruzie met Kelly over een wederzijdse vriendin. Als kwartet nu nemen de Green Pajamas in Tom Dyers studio een twintigtal liedjes op, waarvan er twaalf terechtkomen op de bands eerste vinyl-release: Book Of Hours. De fijngevoelige en romantische geest van Jeff Kelly komt nadrukkelijk in beeld in de folky psychedelische liedjes, waarin gelaagde gitaren, casio’s en klavecimbels elkaar omarmen. De sfeer op Book Of Hours is Brits; 19e eeuws – geïnspireerd door de literatuur van Edgar Alle Poe en de zusters Bronte en de schilderijen van de Prerafaëlieten – en komt tot uiting via pastorale songs als ‘The First Rains Of September’ en ‘Time Of Year’. Onderscheidend en fraai is ‘Men In Your Life’ – à la Rain Parade met zijn waterval van psychedelische gitaren, terwijl ‘Stand In The Light’ een vreemde maar pakkende mix is tussen folky R.E.M. en cultband Pavlov’s Dog. Het toppunt van Green Pajamas’ Britse flower power-po en barokke psychedelica is het hartverscheurend fraaie ‘The Night Miss Sundby Died – een neo-psych klassieker. Book Of Hours is net als Summer Of Lust een vroeg hoogtepunt in het oeuvre van Green Pajamas en gek genoeg de enige plaat waarop Lawrence en Haedt meedoen; zij verlaten de band. Nog gekker is het dat mede-oprichter Joe Ross zijn ruzie met Jeff Kelly bijlegt en weer toetreedt tot de band, zodat Book Of Hours het enige album is van Green Pajamas waarop hij niet meedoet.

Ten Thousand Words / The First Rains Of September / Stand To Reason / The Night Miss Sundby Died / A Murder Of Crows / Ain’t So Bad / Paula / Men In Your Life / Stand In The Light / Bang Bang You’re Dead / Higher Than I’ve Been / Time Of Year

vrijdag 13 juli 2012

David & David | Boomtown

In 1978 trekt David Baerwald van Oxford, Ohio naar Los Angeles, Californië. Een jaar later verhuist David Ricketts van Philadelphia, Pennsylvania naar de stad der engelen. Beide Davids ploeteren jarenlang in de marge; Rcketts als hulpje in filmstudio's; Baerwald in onsuccesvolle bandjes. In 1984 ontmoeten de 30-jarige Ricketts en de 23-jarige Baerwald elkaar en vormen tezamen een band, of beter gezegd een duo. Ze kiezen daarvoor de weinig fantasierijke naam David & David, maar het zal een naam zijn die de Amerikaanse jeugd in het geheugen gegrift zal blijven. In 1986 komen ze namelijk voor de dag met een onwaarschijnlijk, zeer dualistisch meesterwerk, dat het failliet van de moderne beschaving op vileine wijze blootlegt in negen songs en dat royaal omlijst wordt door beukende drums, ratelende slaggitaren en flarden van zoemende, dreunende Fairlights. Welkom in Babylon, welkom in de uit zijn krachten gegroeide metropool; 'Welcome To The Boomtown' – plaatopener van Boomtown en een Amerikaanse tophit voor David & David. De enerverende, aanstekelijke rocksong introduceert karakters die het snelle leven leven, verslaafd zijn aan alcohol en cocaïne, en het uiteindelijk niet overleven: Well the ambulance arrived too late / I guess she didn't want to wait... / Welcome to the boomtown. In Baerwalds teksten figureren schimmige dealers, mislukte actrices en kansloze verslaafden in een decor van huiselijk geweld, misbruik van macht en noodlottige gebeurtenissen, gelaten verteld en prachtig gezongen door de ene David, terwijl de andere – multi-instrumentalist Ricketts – met behulp van gitaar, dobro, lap steel, piano en geprogrammeerde keyboards een duistere, intense sfeer neerzet. Een sfeer, door de dichte, overweldigende sound niet geheel vrij van pathos, typerend voor de jaren tachtig en aldus elementen bevat van de sfeervolle broei van Daniel Lanois-producties, de soundscapes van de eerste Gabriel-albums, de geladenheid van T-Bone Burnetts Proof Through The Night en de lyriek van Bruce Springsteen. Alleen; hier zijn jonge muzikanten aan het woord die de taal spreken van de miljoenen Amerikaanse jongeren die op een manier zoals de romanfiguren in Brett Easton Ellis' Less Than Zero worstelend het Reagan-tijdperk proberen te overleven. De compromisloze sfeertekeningen zijn gevat in overrompelende rocksongs, muzikaal opgepompt door geprogrammeerde drums, synthetische toetsen en Ricketts scheurende gitaar. In het gedreven 'Swallowed By The Cracks' blijven dromen onvervuld, zijn illusies gebroken en rest slechts het zwarte gat, terwijl de boodschap van 'Being Alone Together' – de zinloosheid van het bestaan – benadrukt wordt door middel van een catchy refein, bubbelende bas en een op hol geslagen gitaar. In het machtige 'River's Gonna Rise' spoelt de zondvloed de straten schoon van de metropool, wat kracht bijgezet wordt door een gierende gitaarclimax; begeleiden hamerende piano, aanzwellende Fairlight en een majesteitelijke David Gilmour-gitaarsolo in 'All Alone In The Big City' Baerwalds visie over eenzaamheid en geweld; en sluit het ingetogen epos over de zelfbenoemde helden in 'Heroes' het album relativerend en hoopvol af. Het zal het enige album blijven van Baerwald en Ricketts, al werken ze jaren later nog samen op Sheryl Crows Tuesday Night Music Club. Zij gaan ieder huns weegs, hopelijk in het volle besef dat zij met Boomtown niets minder dan een meesterwerk hebben geproduceerd en meer nog; een monument van de jaren tachtig

Welcome To The Boomtown / Swallowed By The Cracks / Ain't So Easy / Being Alone Together / A Rock For The Forgotten / River's Gonna Rise / Swimming In The Ocean / All Alone In The Big City / Heroes

dinsdag 10 juli 2012

Nikki Sudden and the Jacobites | Texas

Rond de kerst van 2005 heeft Nikki Sudden zijn cd The Truth Doesn’t Matter af. In het daarop volgende voorjaar toert Sudden door Amerika om zijn nieuwe materiaal uit te proberen voor publiek. Na een concert in New York op 26 maart 2006 overlijdt Sudden zeer plotseling. Nikki Sudden was een rocker in hart nieren en absorbeerde talloze stijlen en invloeden – Dylan, Neil Young, Rolling Stones, Faces, T.Rex, Shangri-Las, New York Dolls – en smeedde die om tot een eigen rootsy rock-‘n-roll-geluid. Geïnspireerd door de do-it-yourself-houding van de punk, richt Sudden met broer Epic Soundtracks en schoolvriend Jowe Head Swell Maps op. In 1977 brengt de band hun in elkaar geplakte debuutsingle uit: ‘Read About Seymour’. Na drie jaar en twee lp’s houdt Swell Maps op te bestaan en gaat Nikki Sudden solo verder. Tussen het debuut Waiting On Egypt uit 1982 en The Truth Doesn’t Matter uit 2006 zitten maar liefst 24 platen. Texas uit 1986 is het zevende album en het enige voor Creation Records. Nikki Sudden heeft dan samen met drummer Epic Soundtracks en gitarist Dave Kusworth The Jacobites opgericht, maar in 1986 heeft Kusworth de broers verlaten. De rammelende punkrock van het eerste uur – evenals Johnny Thunders’ versleten cowboylaarzen die Sudden jarenlang draagt – heeft dan plaatsgemaakt voor stroperige ritmes aangedreven door een akoestische gitaar en Stones-achtige blues. Zo ook op Texas, in ruim twee weken opgenomen in het deftige Leamington Spa, tussen Londen en Suddens geboorteplaats Birmingham. Naast Epic Soundtracks bestaan The Jacobites uit bassist Duncan Sibbald, violist Jonathan Hodgson en slide-gitarist Rowland S. Howard, bekend van The Bad Seeds. Het geluid op Texas kenmerkt zich door Suddens traag riffende slaggitaar, die in intense songs als ‘Jangle Town’, ‘Glass Eye’ en ‘When I Left You’ een Crazy Horse-achtige intensiteit uitstraalt. Het rammelende ‘Such A Little Girl’ doet vanwege de bonkende piano denken aan de stompende rhythm & blues van Alex Chilton, terwijl de drank-ballad ‘Broken Tooth’ Howards prachtige slide-spel in stelling brengt. Over Texas hangt een betoverende en broeierige sfeer, die nog het best geïllustreerd wordt in het claustrofobische en omineuze ‘Death Is Hanging Over Me’: Death is hanging over me / It merely twists and falls / Death is hanging over me / But I can’t hear it all / And death waits there... Nikki Sudden, geboren Adrian Godfrey, werd slechts 49 jaar.

Jangle Town / Death Is Hanging Over Me / In Your Room / Glass Eye / Such A Little Girl / Broken Tooth / Dumb Angel / Basement Blues / Wedding Dress / When I Left You / Captain Kennedy’s Lament / Depper’s Bridge

maandag 25 juni 2012

The Costello Show | King Of America

Tussen 1977 en 1984 maakte Elvis Costello maar liefst negen platen. Dan is het relatief stil. De pers is niet onverdeeld enthousiast over Costello’s negende album, Goodbye Cruel World, dat gedomineerd wordt door dikke synthesizertapijten en een mislukte productie. Costello zelf evenmin: ‘I hated that record.’ Het zijn bovendien turbulente tijden voor Costello. Tussen een solotournee en een tour met The Attractions door Amerika laat Costello zich scheiden van zijn vrouw Mary, wordt de Amerikaanse supergroupie Bebe Buell zwanger van hem, raakt Costello als producer en bijna-bandlid betrokken bij The Pogues en wordt hij verliefd op de bassiste: Cait O’Riordan. Costello breekt bovendien met zijn trouwe vazallen, The Attractions. Ondertussen heeft Costello tijdens zijn Amerikaanse solotournee kennisgemaakt met de Texaan T-Bone Burnett. Ze raken bevriend en vormen The Coward Brothers, die in januari ’85 in Los Angeles de frisse countryrock-single ‘The People’s Limousine’ opnemen. Gestimuleerd door de aardse, akoestische sound die Burnett neerlegt, keert ook Elvis Costello terug naar de kern van zang en akoestische gitaar. In L.A., in de Sound Factory-studio, neemt Costello in de geest van Burnett een aantal naakte, ruwe demo’s op. Een half jaar later keert Costello terug naar Los Angeles om met T-Bone Burnett aan de opnamen te beginnen van King Of America, Costello’s onvervalste americana-plaat. In verschillende sessies, in verschillende studio’s en met verschillende begeleidingsbands neemt Costello zijn kale en indringende songs op. Met Elvis Presleys begeleidingsband – James Burton op gitaar, Jerry Scheff op bas en Ron Tutt op drums – neemt Costello in een paar uur ‘American Without Tears’, Our Little Angel’ en ‘The Big Light’ op. Met de nog beroemdere studiocats Earl Palmer (drums) en Ray Brown (bas) ‘Poisoned Rose’ en de rhythm & blues-cover ‘Eisenhower Blues, maar de meeste songs van King Of America komen op het conto van The Confederates: bassist T-Bone Wolk, drummers Mickey Curry en Jim Keltner, pianist Tom Canning en organist Mitchell Froom. Ze zijn verantwoordelijk voor prachtige opnamen als ‘Brilliant Mistake’, ‘Jack Of All Parades’ – een liefdesverklaring aan Cait O’Riordan – en een geweldige uitvoering van ‘Don’t Let Me Be Misunderstood’. The Attractions mogen dan – zeer tegen hun zin – nog even opdraven voor ‘Suit Of Lights’. Het meesterlijke hoogtepunt van King Of America, is echter ‘Little Palaces’ waarin niet alleen Costello’s zang – vóór in de mix en zeer zelfverzekerd – schitterend tot zijn recht komt, maar waarin Costello zich bovendien het americana-idioom volledig eigen maakt. King Of America is een van de beste Costello-platen, al wordt deze toegeschreven aan The Costello Show Featuring The Attractions And Confederates en zijn de originele composities dit keer niet geschreven door Elvis Costello – maar door Declan Patrick Aloysius MacManus.


Brilliant Mistake / Lovable / Our Little Angel / Don’t Let Me Be Understood / Glitter Gulch / Indoor Fireworks / Little Palaces / I’ll Wear It Proudly / American Without Tears / Eisenhower Blues / Poisoned Rose / The Big Light / Jack Of All Parades / Suit Of Lights / Sleep Of The Just