maandag 30 december 2013

Craig Bancoff | Eden

Een vogelvlucht via Google Earth laat zien dat Merion in Pennsylvania een ruraal stadje is, net ver genoeg van het urbane Philadelphia. Uit dit Merion komt Craig Bancoff, een talentvolle jongeman die ouderwetse muziek maakt. Ouderwets omdat zijn debuut, Eden, een hartverwarmende singer-songwritersplaat is boordevol weemoed en verlangen. Je stelt je de melancholieke Bancoff – althans afgaand op zijn gloedvolle, intieme stemgeluid – eenvoudig voor in het landelijke Pennsylvania, te midden van de eens hardwerkende arbeiders in de staalindustrie, die nu overigens vooral werkeloos zijn. Bancoff straalt op zijn Eden eenzelfde arbeidsethos uit, dat van de gewone man, als de jonge Springsteen. Bas en drums zijn altijd het midtempo-fundament van Bancoffs geweldige liedjes, die dan afwisselend versierd worden door pedal steel, mandoline, fiddle, banjo en Hammond. Het is allemaal bijzonder sfeervol en beeldend wat deze Bancoff en zijn band neerzetten; een perfect decor bovendien voor de voortreffelijke songs, waarvan 'Beautiful Lies', 'The Highway', 'Be Your Ghost' en titelnummer 'Eden' in het bijzonder aanbevelenswaardig zijn, overigens zonder de bedoeling die andere tijdloze prachtliedjes tekort te doen. Alleen al op basis van Eden mag Craig Bancoff gezien worden als een groot talent, die geacht wordt een grote toekomst tegemoet te kunnen gaan. Helaas wordt er na Eden in 2010 jarenlang taal noch teken van Craig Bancoff vernomen.

Crutch / Beautiful Lies / Somebody's End / I Will Love You / Waiting / St. Anthony / The Highway / Sleep Sick / Everything Left / Be Your Ghost / Eden / Ferris Wheel / Orchard Road 

dinsdag 24 december 2013

Alexander Spence | Oar

Voor een muzikant met zo een status – de cult hero der cult heroes – heeft Alexander Spence de wereld een zeer bescheiden oeuvre geschonken. Hoewel van origine gitarist, was Skip Spence de eerste drummer van Jefferson Airplane en maakte met deze hippieband in 1966 Jefferson Airplane Takes Off. Als gitarist en componist speelde Spence een belangrijke rol in één van de meest getalenteerde bands van het San Francisco van de jaren zestig, Moby Grape. Slechts twee lp’s – Moby Grape en Wow (met de gratis meegeleverde live-lp Grape Jam) – houdt Skip Spence het te knellende samenwerkingsverband vol. Spence’s gewelddadige en psychotische gedrag, opgestookt door heftig drugsgebruik, doen hem in 1968 in een psychiatrische kliniek in New York belanden. Spence verblijft maar liefst een half jaar in de kliniek en ondergaat heftige aanvallen van dementie en paranoia, maar weet toch zijn hoofd vrij te maken om in de schaarse momenten van luciditeit liedjes voor een soloplaat te schrijven. Als Alexander Spence in december 1968 uit het hospitaal ontslagen wordt, haast hij zich op een motorfiets naar Nashville. In CBS’s Nashville Studios neemt Spence in vier dagen – de hoestekst van Oar spreekt zelfs van één dag, namelijk 16 december – in z’n eentje 17 liedjes op waarvan de 12 meest uitgewerkte een plekje krijgen op Oar. Stoned, maar tegelijk euforisch en on top of it, speelt Skip Spence alle instrumenten zelf, doet de productie en laat de banden in één dag mixen in New York. Oar is dan áf en klaar om aan het publiek geopenbaard te worden. In februari 1969 verschijnt Oar dan, Alexander Spence’s tijdloze meesterwerk.
Oar is als een kaleidoscoop; er ontrolt zich een afwisselend en kleurrijk landschap. Het stonede Little Hands zet de toon met zijn mix van Moby Grape-psychedelica en folkblues. Cripple Creek vervolgens, is een weergaloos countrylied waar Spence met zijn donkere bariton Kris Kristofferson naar de kroon steekt. Spence’s losse psychedelica raakt aan de blues, de country, de folkrock en laat zien dat hij een geestverwant is van Syd Barrett. Oar heeft daarmee raakvlakken met The Madcap Laughs maar ook met Terry Reids River. Oar bevindt zich daarmee in uniek gezelschap. Spence bewijst zich keer op keer als psychedelische space-blues cowboy. Diana, Dixie Peach Promenade, het slepende War In Peace en het geniale Weighted Down (The Prison Song) zijn fenomenale composities. Broken Heart is een gevoelige kampvuursong, het oudtestamentische Books Of Moses beklemt tot op het bot en de afsluiter Grey/Afro is negen minuten samengebalde experimenteerdrift met een hoofdrol voor Spence’s elektrische gitaarspel.
Oar klinkt als een compleet orkest, maar het zijn slechts Skip Spence’s drums, basgitaar, akoestische en elektrische gitaar, die geraffineerd in laagjes gestapeld zijn. De shuffelende drums zijn onnadrukkelijk aanwezig en lijken nauwelijks als begeleiding te fungeren; de nerveuze ritmiek stuitert alle kanten op zonder de aandacht op zich te vestigen. Spence’s elementaire en funky baswerk knort en bromt en leidt net als de drums een eigen leven. Dit alles dient als ondersteuning van het magische en uiterst gedoseerde gitaarspel van Alexander Spence. De gitaarakkoorden laten zich niet in een keurslijf dwingen en waaieren alle kanten op. Er ontstaat als het ware een nieuwe hybride, een extra dimensie tot dan toe zelden vertoond. Instrumentatie en productie zijn in één persoon verenigd en dat geeft Oar de gebalde kracht en subtiliteit die het bandconcept en de solo-artiest met begeleidingsband ten enenmale ontbeert. Het is de kracht van de unieke entiteit die alles in zich verenigt; de kracht van de singer-songwriter als scheppende mens. Dit experiment, het experiment van de muzikale doe-het-zelver en ontdekkingsreiziger, is anno 1968 – het tijdperk van muzikale creativiteit en psychedelica –, dan ook volledig geslaagd. Oar is een universum op zich, een speeltuin van experimentele dadendrang, een grensoverschrijdend kunstwerk dat nieuwe terreinen verkent. Alexander Spence is de pionier die de luisteraar aan de hand neemt naar de onontdekte verten van een stromenlandschap waar alles vloeit: panta rhei.
Natuurlijk behaalde Oar slechte verkoopcijfers en natuurlijk ging het niet goed met Alexander Spence. Alcoholisme en schizofrenie eisten zijn tol. Toch bleef Spence songs bijdragen aan Moby Grape en wist hij het zelfs op te brengen om acte de présence te geven op het in 1978 gereleasde Live Grape. Hoewel er in de loop der jaren steeds meer aandacht kwam voor Oar, ging Spence’s fysieke en mentale toestand hard achteruit. Skip Spence leefde jarenlang in een trailerpark, totdat zijn gesteldheid verregaand verslechterde en hij moest worden opgenomen in een hospitaal. In 1999 onstond het initiatief voor een eerbetoon aan Alexander Spence. Platenbaas Bill Bentley stelt een tribute-plaat samen: More Oar: A Tribute To The Skip Spence Album en het lukt hem om Spence te laten luisteren naar dit eerbetoon. Slechts enkele uren voor zijn dood neemt Skip Spence kennis van het tribute-album. Op 16 april 1999, twee dagen voor zijn 53ste verjaardag, overlijdt Alexander Spence aan longkanker. Skip Spence’s laatste op vinyl gematerialiseerde woorden zijn te vinden op Moby Grape’s reünieplaat uit 1983: My hopes and dreams will soon begin to fade / When thoughts of men and dreams have all been weighed / Darks shadows hide my destined fate they cannot wait / For I shall see a better day, uh uh.

Little Hands / Cripple Creek / Diana / Margaret-Tiger Rug / Weighted Down (The Prison Song) / War In Peace / Broken Heart / All Come Together / Books Of Moses / Dixie Peach Promenade / Lawrence Of Euphoria / Grey/Afro



maandag 23 december 2013

Fairport Convention | Liege & Lief

Het leek er sterk op dat Fairport Convention ophield te bestaan toen in mei 1969 de bestelbus van de band verongelukte met daarin alle bandleden. Zowel drummer Martin Lamble als Richard Thompsons vriendin Jeannie Franklin verongelukten dodelijk. De overlevende bandleden – Sandy Denny, Richard Thompson, Simon Nicol en Ashley Hutchings – waren in diepe rouw gedompeld en zagen de zinloosheid in van het voortzetten van Fairport Convention. Hoe dan ook zou de band nooit meer het oude repertoire spelen; als Fairport Convention zou worden voorgezet, dan moest er een nieuwe muzikale richting worden gevonden. Hetgeen geschiedde. 
Vioolspeler Dave Swarbrick en drummer Dave Mattacks versterken het viertal en in de zomer van 1969 vestigt de opnieuw geformeerde band zich, op initiatief van producer Joe Boyd, in Farley Chamberlayne, een afgelegen country-house. De behoefte om in elkaars nabijheid te zijn leidt tot lange wandelingen in de omgeving, gesprekken aan de keukentafel en het zich verdiepen in oude volksmuziek. Het grote voorbeeld van vele bands in die tijd is Music From Big Pink van The Band; een revolutionair concept van folk en country in een rock-context. Daarnaast raken zowel Sandy Denny als Ashley Hutchings gefascineerd door Britse traditionals – de kunst is echter om de eeuwenoude liedjes te transformeren tot moderne rock; om akoestische liedjes om te zetten in elektrische songs. De uitdaging waarvoor Fairport Convention zich gesteld ziet, wordt een katharsis en een triomf tegelijk, want Liege & Lief is niet alleen het Britse equivalent van Music From Big Pink, maar ook dé herdefinitie van folk en folkrock. Vijf van de acht liedjes op Liege & Lief zijn traditionals, maar Fairport Convention zet de mystieke en mythologische liedjes over ziekte, dood en verderf geheel naar eigen hand. De engelenstem van Sandy Denny – een van de beste zangeressen ooit – klinkt betoverend in ‘Reynardine’ en opzwepend in ‘Tam Lin’ en ‘Matty Groves’, een traditional die al in 1630 bestond. De nieuwelingen zijn prominent aanwezig: Swarbrick met zwierig vioolspel en Mattacks, die totaal onbekend is met folkmuziek, met opvallend stevig drumwerk. Maar naast Sandy Denny is de hoofdrol weggelegd voor Richard Thompson. Niet alleen vanwege zijn evocatieve en onderscheidende gitaarspel, maar ook omdat hij twee fabelachtige composities bijdraagt: ‘Farewell. Farewell’ en ‘Crazy Man Michael’, de laatste een monument van verlies en verdriet. Als Liege & Lief in december 1968 wordt uitgebracht, wordt het direct herkend als het meesterwerk dat het is. Zowel Ashley Hutchings als Sandy Denny hebben Fairport Convention dan al verlaten.

Come All Ye / Reynardine / Matty Groves / Farewell, Farewell / The Deserter / Medley: The Lark In The Morning, Rakish Paddy, Foxhunters’ Jig, Toss The Feathers / Tam Lin / Crazy Man Michael

zondag 22 december 2013

MC5 | High Time

Militante rouwdouwers. Mislukte wereldverbeteraars. Energiek en energieverslindend zootje ongeregeld dat al na drie platen geheel was opgebrand. De Motor City 5 raakten daadwerkelijk volkomen losgeslagen, met uitbundig gebruik van hard drugs en gevangenisstraffen als gevolg. Gedurende zijn heftige bestaan maakte MC5 slechts drie lp’s, maar wel drie overdonderende lp’s, en had, o wonder, een uiterst stabiele bezetting: Rob Tyner (zang, mondharmonica), Wayne Kramer (gitaar, zang), Fred ‘Sonic’ Smith (gitaar, zang), Dennis Thompson (drums, zang) en Mike Davis (bas, zang). Vanaf halverwege de jaren zestig was hun explosieve cocktail gebaseerd op de rock-‘n-roll van Chuck Berry, de vuige Britse rhythm & blues van The Yardbirds en The Who en de existentialistische jazz van John Coltrane en Sun Ra. MC5 wordt bovendien nog eens gemanaged door politiek activist en pleitbezorger van vrije seks en drugs, John Sinclair. 
Getekend door Elektra Records is het eerste album van MC5 dan ook een opwindend politiek pamflet, en nog eens live opgenomen ook. De band wordt echter snel bij Elektra de deur uitgewerkt omdat een grote platenwinkelketen weigert de plaat te verkopen. Kick Out The Jams wordt een jaar later gevolgd door de rock-’n’-rollplaat Back In The USA, waarna in de toenemende chaos een jaar later in juli 1971 alweer MC5’s derde verschijnt: High Time. Een mix van de eerste twee albums is High Time een pure rockplaat, die zelfs – heel af en toe – de kwetsbare kant van het doorgaans opgefokte vijftal laat zien. De knetterende garagepunk van MC5 gaat op High Time een verbond aan met bluesy hardrock en sci-fi psychedelica. En waar de vorige albums louter groepscomposities bevatten, leveren zowel Kramer, Tyner, Thompson als Smith eigen composities aan. Thompsons ‘Gotta Keep Movin’ is een compacte uptempo rocker met scheurend gitaarspel van het sonische gitaristenduo Kramer/Smith, Rob Tyners ‘Future/Now’ een bluesy schuiver met een prachtig verstild coda en ‘Miss X’ en ‘Poison’ zijn spetterende spacy rocksongs van de hand van Wayne Kramer. Hofleverancier is echter Fred Smith; hij levert vier songs, waarvan het muzikale stripverhaal over een geile non, het sublieme ‘Sister Anne’, het rock-‘n’rollende hoogtepunt van High Time is, al vat ‘Skunk (Sonicly Speaking)’ nog eens alles samen: wild, gestoord en opwindend. High Time is opvallend transparant geproduceerd – MC5 lijkt de rommeligheid voorbij. Maar dat is slechts schijn; het uitblijven van succes drijft de complete band naar de afgrond van de hard drugs. In 1972 blaast de Motor City 5 zichzelf op en laat een erfenis na van drie wilde rock-’n-rollplaten.

Sister Anne / Baby Won’t Ya / Miss X / Gotta Keep Movin’ / Future/Now / Poison / Over And Over / Skunk (Sonicly Speaking)


zaterdag 21 december 2013

Tame Impala | Innerspeaker


Perth, Western Australia, wordt meer dan eens genoemd als de meest afgelegen metropool ter wereld. De beroemdste rockband uit die contreien is ongetwijfeld The Triffids, maar het is niet ondenkbeeldig dat zij in de nabije toekomst voorbijgestreefd worden door de psychedelische bloemenkinderen van Tame Impala. Zij hebben ongetwijfeld een grote toekomst voor zich, want als zanger-gitarist en wonderkind Kevin Parker samen met maatje Dominic Simper op bas Tame Impala opricht, zijn beiden nog maar 13 jaar. Pas in 2007 verlaten ze de slaapkamer en met een gevonden drummer is Tame Impala een psychedelische rockband om in de gaten te houden. Retro-psychedelica wel te verstaan, want het powertrio – aangevoerd door Kevin Parker met zijn omfloerste zang – leunt sterk op zowel The Beatles als op The Jimi Hendrix Experience. MySpace wakkert de belangstelling voor de band aan, wat hen een platencontract oplevert en de release van een eerste ep in 2008.
De internationale doorbraak volgt in 2010 met het uitbrengen van Innerspeaker, een zinderend, blaartrekkend rockalbum, dat o wonder, hyper-melodieus en warm van toon is. Kevin Parker heeft als songschrijver en multi-instrumentalist de volledige regie over Innerspeaker, terwijl Dave Fridmann (Mercury Rev, Flaming Lips) garant staat voor een ruimtelijke mix. Tame Impala's debuut is ronduit magistraal – vanwege de perfecte sound, maar ook om de loutere psychedelische pracht van de songs: de openings-trits 'It Isn't Meant To Be', 'Desire Be Desire Go' en 'Alter Ego' is puur meeslepend. Het transparante geluid en de zweverige zang herinneren aan de mooiste jaren zestig psychedelica, maar ook aan tijdgenoten als het geniale Zweedse Dungen. Innerspeaker kent in 'Why Won't You Make UpYour Mind?', 'Solitude Is Bliss' en 'Expectation' voortreffelijke songs die worden opgepookt door fuzz-gitaar, Leslie-box en prachtig opgenomen drums. Innerspeaker is niet alleen een topplaat vanwege de songs en het gitaargeweld, maar ook zeker vanwege de absoluut perfect sound. Tame Impala is alleen al op basis van hun debuutplaat een rockband die een grootse doorbraak verdient. Het leidt dan ook weinig twijfel dat opvolger Lonerism in 2012 voor deze absoluut verdiende internationale doorbraak zal gaan zorgen: Tame Impala is de toekomst van de rock.

It Isn't Meant To Be / Desire Be Desire Go / Alter Ego / Lucidity / Why Won't You Make UpYour Mind? / Solitude Is Bliss / Jeremy's Storm / Expectation / The Bold Arrow Of Time / Runway, Houses, City, Clouds / I Don't Really Mind


donderdag 19 december 2013

Mothers Tuckers Yellow Duck | Starting A New Day

Ook Canada heeft zijn Westcoast – Montreal, British Columbia – en zijn Westcoast-scene: Mother Tuckers Yellow Duck, geformeerd in 1967, is zo'n psychedelische band die comfortabel op de San Francisco-sound leunt. Het debuut Home Grown Stuff (1969) komt uit op Capitol en klinkt psychedelisch zoals acid-rock betaamt; daarentegen is opvolger Starting A New Day in 1970 folkier, melancholieker en meer laid back. Hier doen de invloeden van Moby Grape's 69 en Grateful Deads American Beauty zich nadrukkelijk gelden. Opgetuigd met schitterende harmoniezang, zweverige passages en een magnifieke gitaarsound is Starting A New Day een bijzonder avontuurlijk album dat met geweldige liedjes als 'Love's Been A Long Time Coming', 'Middlefield Country', 'Wood U Call It' en 'A Play On Children' in San Francisco niet over het hoofd zou zijn gezien. Ten overvloede: 'Did You Ever' had niet misstaan op Steve Millers Sailor. Mother Tuckers Yellow Duck komt echter uit Canada; gebrek aan succes leidt al in 1971 tot het jammerlijk uiteenvallen van de band.

Starting A New Day / Love's Been A Long Time Coming / Middlefield County / True Blue / Natchez Theme (For Natchez) / Wood U Call It / Nightowl / Did You Ever / Collin's Breakdown / A Play On Children



dinsdag 17 december 2013

Blue Mountain | Homegrown


In 2008 proberen Laurie Stiratt en Cary Hudson het na ruim zes jaar opnieuw, want dan verschijnt hun vijfde cd Midnight In Mississippi. Stiratt en Hudson: gehuwd en gescheiden, opnieuw tot elkaar veroordeeld. Ze leren elkaar kennen in 1989 als John Stiratt – de huidige bassist van Wilco – zijn tweelingzus Laurie vraagt bassist te worden in The Hilltops, een band die hij in Oxford, Mississippi heeft met zanger/gitarist Cary Hudson. In 1991 gaan Stiratt en Hudson op avontuur naar Los Angeles, maar binnen een jaar is het stel terug in Oxford, het universiteitsstadje dat southern gothic novelists William Faulkner en Larry Brown voorbracht. Niet alleen richten ze Blue Mountain op – met drummer Frank Coutch – maar ze worden ook man en vrouw. 
Via een vriend komen ze onder contract bij het heavy metal-label Roadrunner, waarop in 1995 het debuut Dog Days verschijnt. De opnamen voor de opvolger vinden met onderbrekingen en verspreid over drie maanden plaats in de Route 1-studio van Cary Hudsons neef Chris Hudson en producer Jeffrey Reed in Monticello, meer dan 200 mijl zuidelijker in Mississippi. Talloze keren maakt het trio de tocht over het platteland van Mississippi – en dat werkt door in Hudsons songs; roadsongs over verlaten en eindeloze plattelandswegen. Maar ook de veranda thuis in Oxford is een geliefde plek van het stel; niets voor niets heet Blue Mountains tweede Homegrown, met op de hoes een foto van het trio op de back porch. Ook op de hoes staat Willie, hoofdpersoon in het voortjagende ‘Black Dog’ en verantwoordelijk voor het achtergrondgeblaf. Maar er zijn meer bijzondere personages in Hudsons songs. Zoals ‘Ira Magee’, over een lokale blueszanger die in het niets verdwijnt; de onbereikbare Myrna Lee in het twangende gelijknamige nummer; Midnight Clyde die bij zijn dood een grote leegte achterlaat, maar wel schitterend geportretteerd wordt in ‘Last Words Of Midnight Clyde’; en de dorpsgek, vereerd met het fraaie traditionele walsje ‘Town Clown’. Het is het kleinstedelijke leven op het platteland van Mississippi dat het terugkerende thema is in Cary Hudsons teksten. Muzikaal beweegt Blue Mountain zich tussen countryblues, southern rock en aanstekelijke pop, met vervlechtende akoestische en elektrische gitaren en in eenvoudige maar zeer doeltreffende arrangementen. Wat ook ten volle geldt voor ‘Babe’, een jengelende, R.E.M.-achtige ode aan de huwelijkse staat, het swingende ‘Bloody 98’ – waarin een overspelige echtgenoot heen en weer racet over de US 98 – en het broeierige en meeslepende ‘Dead End Street’, een oude compositie van Hudson die ook te vinden is op The Hilltops’ Big Black River . De respectvolle liner notes van Larry Brown ten slotte vervolmaken dit eerbetoon aan het plattelandsleven in het Diepe Zuiden. 
Dat mag zo zijn; van Homegrown gaan niet meer dan 16.000 exemplaren over de toonbank en van de opvolgers nog minder. In 2001 hebben Laurie Stiratt en Cary Hudson geen huwelijk, geen platencontract en geen drummer.

Bloody 98 / Myrna Lee / Pretty Please / Black Dog / Generic America / Last Words Of Midnight Clyde / Babe / It Ain’t Easy To Love A Liar / Ira Magee / Town Clown / Dead End Street / Rain