Posts tonen met het label 1990. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1990. Alle posts tonen

woensdag 22 januari 2014

Jellyfish | Bellybutton

Feitelijk was Jellyfish een anachronisme in zijn tijd. Waar de underground muziekscene eind jaren tachtig verzadigd was van harde gitaarmuziek – de voorlopers van grunge en Nirvana – was Jellyfish een verademing. In die zin was Jellyfish een alternatief voor ‘alternatief’. De muziek van Jellyfish was melodieus, rijk geschakeerd, smaakvol gearrangeerd en schaamteloos retro. De harmonieuze poprock van Jellyfish was bovendien in potentie supercommerciëel, maar de cd’s – twee in getal – verkochten matig. Het grote publiek geloofde niet in Jellyfish en dus veroverden ze niet de wereld en verkochten ze geen miljoenen platen. Niettemin heeft de band, bijna vijftien jaar na dato, in de kleine kring van popfanaten een grootse reputatie: Jellyfish behoort tot de canon van de poprock en speelde een sleutelrol bij het definiëren van het subgenre, de powerpop.
Andy Sturmer en Roger Manning groeien op in de omgeving van San Francisco. Na hun middelbare schooltijd vertrekt Manning naar Los Angeles om muziek te studeren aan de universiteit. Sturmer vormt de new wave-band Beatnik Beatch die onder contract komt bij Atlantic Records. Als Roger Manning weer in contact komt met zijn schoolvriend wordt ook hij Beatnik Beatch-lid. De band weet het niet tot plaatopnamen te brengen, maar Sturmer en Manning blijven wel samen. Ze schrijven veel nieuw materiaal en zijn vastbesloten een nieuwe artistieke richting in te slaan. Het nieuwe materiaal valt in goede aarde bij de A&R-man van Atlantic, maar ondanks de nieuwe richting is er nog geen nieuwe band. Ter completering van het project treedt de 20-jarige gitarist Jason Falkner toe. Roger Manning heeft met Falkner een wederzijdse bewondering voor XTC gemeen, maar eerder kwam het niet tot een samenwerking. Nu wel. In september 1989 beginnen onder de productionele leiding van Albhy Galuten en engineer Jack Joseph Puig de studio-opnamen. Het drietal – leadzanger en drummer Roger Manning, toetsenist Andy Sturmer en bassist en gitarist Jason Falkner – wordt aangevuld met Redd Kross-bassist Steve McDonald. In een tijdbestek van een half jaar worden de demo’s uiteengerafeld en zeer minutieus weer opgebouwd, de mogelijkheden van de Ocean Way Recording-studio volledig benuttend. Atlantic Records besluit echter geen geld meer in het project – nog steeds naamloos – te steken en schrapt het trio uit de administratie. Toch lukt het producer Galuten en de advocaat van de band een geschikt label te vinden, hetgeen niet zo’n probleem blijkt omdat opeens de platenmaatschappijen menen The Next Big Thing ontdekt te hebben. De band heeft dan nog geen noot live gespeeld, heeft bovendien geen bassist en ook nog geen naam. Roger Mannings jongere broer Chris krijgt van Jason Falkner een spoedcursus basspelen en bekwaamt zich in het zingen van harmonieën door het eindeloos oefenen van de a capella opening van Kansas’ ‘Carry On Wayward Son’. 
In de nazomer van 1990 ligt de cd in de winkel, gestoken in een psychedelisch-ironische hoes, een sprookjeswereld verbeeldend ontleend aan een Amerikaanse kinderserie. De cd heet Bellybutton, en de groep luistert naar de betekenisloze naam Jellyfish. Maar waar de groepsnaam kleurloos is, daar is verpakking en inhoud van Bellybutton fantasierijk, sprookjesachtig en – wat de inhoud betreft – welhaast geniaal. Jellyfish haalt de hele pophistorie overhoop, maakt gebruik van vele elementen uit de geschiedenis van de intelligente pop: FM-radiopop, de rock van Big Star, Badfinger en The Raspberries. Maar uiteraard schijnt de invloed van The Beatles door alles heen: de harmonieën en de superieure melodielijnen zijn dan ook het handelsmerk van Sturmer, Manning en Falkner. De elektrische piano van Roger Manning speelt een voorname rol, zoals in de wervelende popnummers ‘Now She Knows She’s Wrong’ en het naar Queens ‘You’re My Best Friend’ verwijzende ‘Calling Sarah’. Er zijn – heerlijke – suikerzoete elementen die Jellyfish tot bubblegum bestempelen, maar dit is in perfect evenwicht met de intelligentie van de wervelende popsongs en de stevigheid van Falkners gitaar, getuige diens scheurende solo in ‘She Still Loves Him’. Bellybutton, met zijn trits meesterlijke openingsliedjes ‘The Man I Used To Be’, ‘That Is Why’ en ‘The King Is Half-Undressed’, is weliswaar theatraal maar nergens bombastisch; is uitermate ironisch maar evenzeer intelligent. Bellybutton, een sprookjeswereld van ontklede koningen, uit de oorlog weerkerende matrozen, stille kerkmuizen en ongeboren vruchten die menen dat de wereld aan hun voeten ligt, is een naïef romantisch meesterwerk dat de gehele popmuziek bestrijkt en de nieuwe standaard is voor superieure powerpop.
Even ligt de wereld aan de voeten van Jellyfish; de band onderneemt een poging tot samenwerking met Brian Wilson, maakt opnamen met Ringo Starr, weet zich gecovered door Rod Stewart en vindt een bewonderaar in Kim Basinger. 
Het mag allemaal niet baten: een gefrustreerde Jason Falkner verlaat de band, gevolgd door bassist Chris Manning. Het is het einde van de klassieke Jellyfish-bezetting. Jason Falkner ontpopt zich tot een geniale popartiest en Manning en Sturmer nemen nog een plaat op – Spilt Milk – die overloopt van ambitie en dan valt, in 1994, definitief het doek voor Jellyfish.

The Man I Used To Be / That Is Why / The King Is Half-Undressed / I Wanna Stay Home / She Still Loves Him / All I Want Is Everything / Now She Knows She’s Wrong / Bedspring Kiss / Baby’s Coming Back / Calling Sarah

zondag 19 januari 2014

The Kliek | Behind Bars

The Kliek zijn de aartsvaders van de neo-nederbeat. In Amsterdam in slechts kleine kring – de kliek in De Stip – gevierd; internationaal is The Kliek een gerespecteerde band in de neo-garagebeatscene. Ontstaan uit The Other Side, Just Colours en The Stoneage Romeos maken The Kliek vanaf 1987 singles, ep's en cassettes en toeren door Europa in het voetspoor van The Fuzztones en The Headless Horsemen. Als The Kliek in Weesp bij producer Frans Hagenaars hun debuut-lp gaat opnemen bestaat de band uit de oorspronkelijke leden Robert Müter (zang) en Marcel Kruup (gitaar), en de The Exist-ritmesectie Gert Veltink (bas) en Zjenja Guberman (drums). Behind Bars heeft in tegenstelling tot de wilde live-optredens een beheerste sound gebaseerd op Westcoast folkrock, Britse rhythm & blues en nederbeat. Niettemin een geweldige combinatie, die zich uit in covers van onder meer Gene Clark, The Searchers en The Golden Earrings – en Müters folkrockliedjes 'I Never Told You' en 'Quiet Side Of The Bay', en de Veltink-compositie 'None Of Your Business', een opwindend hoogtepunt van Behind Bars. Er volgt nog een aantal jaren van toeren, een studioplaat en een live-plaat, maar dan is de koek op. Behind Bars is de neo-nederbeatklassieker, op de hoes aangeprezen door niemand minder dan Ray Davies: 'They had so much power and enthousiasm.' En een grote liefde voor de sixties van de nederbeat, folkrock en rhythm & blues.

Going Too Far / I'm Gonna Get That Girl / Quiet Side Of The Bay / I Wonder / None Of Your Business / Pushover / Boston / Now I Have / I Never Told You / Today I'm Gay / You're The Only World I Know / I'm Never Coming Back / Leave My House  

woensdag 11 december 2013

Crime and the City Solution | Paradise Discotheque

Hoewel Simon Bonney en zijn Crime and the City Solution het spoor volgen van mede-Australiërs Nick Cave and the Bad Seeds, wil de overlevering dat Bonney juist de inspiratie vormt voor Cave en zijn Birthday Party. Al in 1978 is Bonney in Melbourne actief met Crime & The City Solution maar pas in 1984 is het spel definitief op de kar als ex-Birthday Party-leden Rowland S. Howard en Mick Harvey en Swell Maps-trommelaar Epic Soundtracks zich aansluiten bij Bonney en zijn vriendin, tekstschrijver Bronwyn Adams. Het gezelschap vestigt zich dan in Londen en tekent, net als Nick Cave, bij Mute.
Crime & The City Solution wijdt zich vol overgave aan punkblues en rioolrock, met als voorganger de door duistere krachten aangejaagde Bonney. De albums die de band produceert kunnen zij aan zij gedraaid worden met die van The Bad Seeds, maar gaandeweg verschuiven de accenten naar een lichtere toets; naar een transparanter geluid. Bonney en Adams zijn dan inmiddels verhuisd naar Berlijn en hebben daar een Duitse City Solution geformeerd met onder andere Einstürzende Neubauten-gitarist Alexander Hacke.
Het vierde, laatste en beste album neemt de band in 1990 op in Conny Planks Keulse studio – en is de kroon op Bonneys werk: Paradise Discotheque is een meesterlijk werkstuk. Aanvankelijk dartelen Bonney en kornuiten speels door galopperende prachtsongs als 'I Have The Gun', 'The Sly Persuaders' en het waanzinnige 'The Dolphins And The Sharks', maar dalen dan af in de krochten van de ziel met een meer gothic-geluid, dat bepaald wordt door een grommend orgel, reverb-gitaren, cello en Bronwyn Adams' weemoedige viool. Aldus is het angstaanjagend fraaie 'The Sun Before The Darkness' een voorlopig hoogtepunt, maar het gaat nog dieper op 'The Last Dictator', een donker, plaatkant vullend vierluik over de Roemeense dictator Ceausescu dat luistert als een gothic novel. Het besluit een meeslepend album dat laveert tussen licht en donker, tussen melodie en pathos, maar altijd van een gloeiende intensiteit is. Een waardige zwanenzang van een cultband, die overigens in filmmaker Wim Wenders zijn grootste fan had.

I Have The Gun / The Sly Persuaders / The Dolphins And The Sharks / The Sun Before The Darkness / Motherless Child / The Last Dictator I / The Last Dictator II / The Last Dictator III / The Last Dictator IV


vrijdag 6 september 2013

Man | Slow Motion

De band uit Wales ploetert jarenlang voor zijn bestaansrecht, maar echt groot succes zal Man niet bereiken, ondanks hard werken en een oeuvre van fantasierijke en gedurfde albums. Als Man in 1974 terugkeert van hun eerste Amerikaanse tournee is de studio voor de follow-up alweer geboekt. Door het plotse vertrek van de toetsenist is Man weer een viertal, maar dat verhindert de hippieband niet om met veel enthousiasme en nieuw hoofdstuk toe te voegen aan een bestaan van geïmproviseerde progrock, spunkrock, spacerock en mellow Westcoastrock. Slow Motion is Mans tiende lp en is vanwege de frisheid en compactheid een van de beste. Gestoken in een door graphic artist Rick Griffin ontworpen hoes met daarop afgebeeld het Mad-karakter Alfred E. Neuman, is Slow Motion met geweldige tracks als ‘Grasshopper’, het Rundgreniaanse ‘One More Change’, de Westcoastballad ‘Rainbow Eyes’ en het fenomenale ‘Bedtime Bone’ een atmosferisch en gevarieerd gitaaralbum. Dit wordt het jaar daarop nog eens bevestigd door de fraaie liveplaat Maximum Darkness, maar Man is dan aan het eind van zijn latijn. Desondanks is het ‘nadagenalbum’ Slow Motion een creatief hoogtepunt van de cultgroep die Man was en nog steeds is.

Hard Way To Die / Grasshopper / Rock And Roll You Out / You Don’t Like Us / Bedtime Bone / One More Change / Rainbow Eyes / Day And Night 

zaterdag 31 augustus 2013

The Sneetches | Slow

In retrospect – de release van Slow is ruim 20 jaar geleden – is het eenvoudig vast te stellen dat The Sneetches de obscuriteit niet ontstegen zijn. The Sneetches, met hun repertoire van drie reguliere platen, zijn daarmee onbekend, onbemind en zeker obscuur. En dat is feitelijk nogal onbegrijpelijk; The Sneetches passen in een traditie waarin schoonheid werd gepoogd te vatten in tijdloze popmuziek. Het is een lange lijn van halverwege de jaren zestig naar waar The Sneetches zich aan het eind van de jaren tachtig bevonden: The Beatles, The Byrds, The Beau Brummels, The Zombies, The Lovin’ Spoonful, Big Star, The Rain Parade en vele anderen. The Sneetches gebruikten een recept van jaren zestig Anglo/Amerikaanse pop, verrijkten dat met de technische verworvenheden van de navolgende decennia en bereidden aldus een uiterst smaakvolle dis van klassieke rockmuziek op basis van schitterende vocale arrangementen, orkestrale finesse en een ultiem popgevoel.
Moderniteiten mogen niet van The Sneetches verwacht worden; de blik is strak naar achteren gericht, ook al was dat in de Amerikaanse underground-scene van de jaren tachtig – pré-grunge – cool en paradoxaal genoeg eh, modern. De alternatieve popmuziek beleefde een ware renaissance; psychedelische rock en flowerpower-pop bleken idiomen die werden herbezocht door talloze talentvolle bands. En vanzelfsprekend zijn The Sneetches één van die talentvolle – en obscure – bands.
The Sneetches zijn nog een trio, bestaande uit zanger Mike Levy, gitarist en songschrijver Matt Carges en drummer Daniel Swan, als hun eerste reguliere lp, Sometimes That’s All We Have, naast een Amerikaanse release uitgebracht wordt op het fameuze Creation label van Alan McGee. De fijnzinnige antenne van McGee blijkt weer eens feilloos te werken; met The Sneetches haalt McGee een band binnen die uitstekend in de Creation-stal past. Sometimes That’s All We Have is een fijnzinnige plaat boordevol psychedelische softpop die meer dan eens doet denken aan Simon & Garfunkel. Levy en Carges zijn zich dat ten volle bewust en hebben dan ook het heilige voornemen om de opvolger meer gewicht te geven en de diepte en duisternis op te zoeken. Eén van deze wensen wordt vervuld als de naar San Francisco geëmigreerde Brit en ex-Stingrays-bassist Alec Paleo tot The Sneetches toetreedt. In zijn bagage torst Paleo zijn garagerockverleden en zijn uitputtende Zombies platenverzameling met zich mee. Het blijkt de bite te zijn die The Sneetches nodig hebben; de sound wordt logger, spannender en psychedelischer. Deze extra dimensie nemen The Sneetches in de winter van ‘89/’90 mee de Soma Sync Studios in. Maar de nadruk komt te liggen op de serie uitmuntende composities van Levy en Carges die, van majesteitelijke arrangementen voorzien, de ware groei van The Sneetches laten zien. Het fundament van de Britse ritmesectie is strak en stevig en vormt een effectief contrast met de schitterende harmonievocalen van Mike Levy en Matt Carges, wier meerstemmige zang dan ook regelmatig voor kippenvel zorgt. In 'Heloise' wordt de stuwende begeleiding – opgesierd met repetitieve drumpatronen en swingende conga’s – verfraaid door zwierige gitaarmotieven en een rollende Hammond, maar is de hoofdrol toch weggelegd voor de vocalen van Levy en Carges die zinderen in de hete zon: Falling down / Falling down in the sun. Gedreven door een fascinatie voor de orkestrale en psychedelische pop van de sixties en telkens de vraag opwerpend welke klassieke referentie nu weer verstopt zit in de volgende voorbijkomende song, dwingen The Sneetches respect af met hun ultrafraaie retrorock. Het zwevende vermogen is groot in songs als 'Crystal Ball' en 'Broke Up In My Hands' – met zijn hemelse refrein broke up in my hands / a fragile flower – alwaar The Sneetches herinneren aan zowel The Zombies, The Association, The Lovin’ Spoonful als aan The Left Banke. De laatste laten The Sneetches letterlijk herleven door een fraaie en authentieke cover van 'She May Call You Up Tonight'. Maar de hoofdrol op Slow is toch wel weggelegd voor het razendknappe 'How Does It Feel'. Dit pièce de résistance van The Sneetches met zijn peilloze diepgang en onwaarschijnlijke fraaie chorale coda is letterlijk schoonheid gevat in 24-karaats popmuziek. Slow is daarmee een hoogtepunt in de neo-psychedelische popmuziek van de jaren tachtig, maar blijft eveneens vooralsnog onbekend, onbemind, obscuur én neo-klassiek. The Sneetches maken nog één plaat en daarna is de koek op. Songschrijver Matt Carges zei het al in 1990: ‘Over tien jaar liggen we in de uitverkoopbakken.’ Het is triest maar waar, ook al bewijst Slow het ongelijk van de wereld.

Things We’ll Never See / Over ‘Round Each Other / Heloise / Broke Up In My Hands / Crystal Ball / What’s In Your Mind / Voice In My Head / Wish You Would / Let Us Go / She May Call You Up Tonight


dinsdag 30 oktober 2012

Burning Tree | Burning Tree


Wellicht is Burning Tree in 1990 een tikkeltje te anachronistisch. Het powerrocktrio uit Los Angeles – bestaande uit Marc Ford (gitaar), Mark Dutton (bas) en Doni Gray (drums) – baseert zich namelijk op de Britse bluesrock van Cream en Taste: in de beginjaren negentig niet hip vanwege de heersende trend van heavy metal-hairbands en de snel opkomende Seattle-grunge. Misschien is Burning Tree om die reden juist wel uniek. Voor Epic Records neemt het trio zijn zelfgetitelde debuut op, dat niet alleen het terrein van de grofmazige bluesrock bestrijkt, maar ook een fijne dosis southern rock en countryrock toevoegt. De zang is bovendien in goede handen van het trio, waarvan ieder voor zich vindt dat hij capabel is als background-vocalist, maar niet als leadzanger... Niet alleen de zang is sterk, ook het powerspel is indrukwekkend – en Marc Fords gitaarspel overweldigend. 'Burning Tree', 'Masquerade' en 'Fly On' zijn aarde verschroeiende bluessongs; 'Wigs, Blues And High Heeled Shoes' en 'Crush' fraaie gitaarpopsongs. 'Mistreated Lover' en 'Baker's Song' zijn bijzonder soulvol – vooral door de Hammond van Booker T – en 'Playing In The Wind' is het meeslepende hoogtepunt van een in feite sensationele debuutplaat. Burning Tree wordt dan ook goed ontvangen en aldus ligt de toekomst open voor het trio – ware het niet dat The Black Crowes fluks gitarist Marc Ford confisqueren. En dan is in 1991 Burning Tree helaas alweer ter ziele.

Burning Tree / Wigs, Blues And High Heeled Shoes / Fly On / Mistreated Lover / Masquerade / Playing In The Wind / Last Laugh / Crush / Same Old Story / Baker's Song / Baby Blue / Turtle

maandag 27 augustus 2012

The Cavedogs | Joy Rides For Shut-Ins

The Cavedogs: powerpop-trio uit Boston, Massachusetts. Gitaar, bas, drums en een flinke lading popliedjes met kop, staart en fantastische melodieën. Todd Spahr (gitaar, zang), Brian Stevens (bas, zang) en Mark Rivers (drums,zang) richten in 1987 The Cavedogs op. Het recept is: The Who, The Beatles, Cheap Trick. Platenlabel Enigma paart The Cavedogs aan de befaamde punkproducer Ed Stasium, die met het trio een ijzersterke debuutplaat samenstelt: Joy Rides For Shut-Ins. Het zijn zonder uitzondering aanstekelijke liedjes die gebracht worden met panache en oog voor het melodieuze detail. Pittige, krachtige drums, bas en gitaren laten zich in het gareel dringen door geweldige zangharmonieën, waardoor de drieminutenplus-liedjes een geweldige impact hebben. 'Tayter Country', 'Leave me Alone', Step Down', 'What In The World?', 'Proud Land' zijn alle geweldig, maar worden op punten verslagen door het superieure 'Bed Of Nails'. Tezamen vormen de kwaliteitsliedjes een voortreffelijk debuutalbum dat helaas niet voor de verdiende doorbraak zorgt. Er komt nog een opvolger, Soul Martini in 1992, maar het jaar daarop heft het trio The Cavedogs op. Het is een enkele reis vergetelheid.

Tayter Country / Leave Me Alone / Bed Of Nails / Proud Land / What In The World? / Right On The Nail / Step Down / Baba Ghanooj / Calm Him Down / Taking Up Space / La La La

vrijdag 20 juli 2012

The La’s | The La’s

Nazaten van de Merseybeat en wegbereiders van de Britpop, zo zouden The La’s getypeerd kunnen worden. Op het kantelmoment tussen de jaren tachtig en negentig; gemangeld tussen muzikale tijdperken en gevangen in het ontstane vacuüm waren daar opeens The La’s. The unieke La’s, met niets te vergelijken en tot op de dag van vandaag enig in zijn soort.
Lee Mavers, het warhoofdige brein van The La’s, gitarist Mike Badger en bassist John Power formeren de band rond 1983 in Liverpool, dan thuishaven van de tweede golf Merseybeat: Echo & The Bunnymen, The Teardrop Explodes en Wah! Heat. De eerste versie van The La’s wordt gemodelleerd naar zowel het voorbeeld van genoemde postpunkers als van The Beatles en The Hollies. The La’s bouwen een spraakmakende live-reputatie op; de combinatie van jengelende akoestische gitaren en kristalheldere samenzang op een rudimentaire skiffle-beat maakt de prille band tot de sensatie van Liverpool. Nog voor The La’s een platencontract wordt aangeboden schopt Mavers Mike Badger uit de band. Een eerste teken van Mavers voortdurende ontevredenheid over gitaristen en drummers, een probleem dat vooral in zijn hoofd zit. Als The La’s een contract hebben getekend met Go! Discs en de band gaat werken aan een debuutplaat wordt Mavers steeds gefrustreerder over de sound die maar niet op de prille demo’s wil lijken. Ondertussen schudt Mavers de ene briljante popsong na de andere uit de mouw: There She Goes, Feelin’, Son Of A Gun. The La’s hebben dan op kosten van het platenlabel een oud Victoriaans pand betrokken en geven zich volledig over aan marihuana en LSD. Het maakt de labiele – maar zeker ook geniale – Mavers nog obsessiever en wanhopiger op zijn zoektocht naar de sound die hij in zijn hoofd heeft. Hij eist van zijn producers dat de gitaren moeten klinken like the tree it was cut from. Bovendien kan geen enkele mengtafel zijn goedkeuring wegdragen omdat er geen origineel jaren zestig stof op zit. Mavers is compleet van de wereld. Gitaristen en drummers komen en gaan en drie pogingen om een plaat te op te nemen mislukken. Als er een mobiele studio wordt opgetuigd in de tuin van de ouders van de eigenaar van Go! Discs en producer Mike Hedges achter de knoppen van Abbey Road-apparatuur plaatsneemt, komt het geluid nog het meest in de buurt van de lo-fi-sound die Mavers in zijn hoofd hoort rondzoemen. In eerste instantie verklaart Lee Mavers dat de opnamen naar zijn tevredenheid zijn afgerond, maar als de resterende bandleden dan zonder Mavers op vakantie naar Hawaii gaan, trekt hij uit jaloezie zijn goedkeuring in. Nog steeds is er geen plaat die Go! Disc kan releasen, en bij de platenmaatschappij groeit het besef dat die plaat er ook niet zal komen.
Mavers’ aan paranoia grenzende perfectionisme werkt verlammend en houdt een release tegen. Ten einde raad wordt Steve Lillywhite ingehuurd om samen met Mavers aan de productie van het materiaal te werken. Hoewel Mavers het niet kan aanzien en wegloopt, weet Lillywhite toch van het aanwezige materiaal een complete plaat te maken. In oktober 1990, uiteindelijk, verschijnt dan op Go! Discs – onder protest van Mavers – het debuut The La’s. Een debuut dat wereldwijd zal inslaan als een bom. The La’s kent een daverende ontvangst; de muziekpers is zich totaal niet bewust van de in Mavers’ ogen falende productie. Dit doet feitelijk ook nauwelijks terzake want de debuutplaat is werkelijk overstelpt met fantastische popsongs. Popsongs die onbetwist deel uitmaken van de popgeschiedenis, want ook in retrospect blijft het merendeel – om niet te zeggen nagenoeg alle – van Mavers’ composities fier overeind. Het geniale aan klassiekers als Son Of A Gun en Timeless Melody is de ontwapenende simpelheid van de beat. Tokkelende akoestische gitaren en staccato slaggitaar bepalen de sfeer van de eenvoudig en overzichtelijk gehouden popsongs. Maar onder de simpele eenvoud bevindt zich de diepere laag van Lee Mavers’ donkere teksten die handelen over sterfelijkheid, zoals in Freedom Song: I’m not scared to die – God help me, of het vagevuur in Son Of A Gun: He’s alive and living in purgatory, dan wel Mavers’ vermeende heavy drugsgebruik in There She Goes: There she goes / There she goes again / Racing thru’ my brain. The La’s heeft slechts een speelduur van ruim 35 minuten, maar in dit tijdbestek is niet alleen de complete Liverpoolse popgeschiedenis geperst, er wordt tevens een blik gegund op de nabije toekomst van de Britpop. Dit maakt The La’s tot zowel revisionisten als futuristen. Tussen alle geëtaleerde geniale eenvoud is er tenminste één lied dat de tand des tijds hoe dan ook zal doorstaan: met There She Goes heeft Lee Mavers onsterfelijkheid bereikt.
The La’s gaan nog op toernee, maar al snel verbreekt Mavers de banden met de overige bandleden. Zijn frustratie over het mislukken van de debuutplaat – uiteindelijk omdat het niet mogelijk bleek de sound te kopiëren van de allereerste demo’s die op een walkman waren opgenomen – stort hem in diepe depressies en heftig drugsgebruik. Lee Mavers lijkt voorgoed verloren voor de popmuziek, ook al biedt de tekst van Timeless Melody een lichtpunt: The melody always finds me. Hopelijk treft Mavers nog steeds mooie melodieën in zijn hoofd aan; in lo-fi en van demo kwaliteit.

Son Of A Gun / I Can’t Sleep / Timeless Melody / Liberty Ship / There She Goes / Doledrum / Feelin’ / Way Out / I.O.U. / Freedom Song / Failure / LookiSonng Glass

donderdag 19 juli 2012

Kevn Kinney | MacDougal Blues

Drivin’ N’ Cryin’ is altijd een onbegrepen band gebleven; het grote succes ging aan hen voorbij, ook al reden ze mee op de golf van de grote gitaarbands in de jaren 90 van de vorige eeuw. In navolging van Soul Asylum, The Replacements en vooral R.E.M. wist Drivin’ N’ Cryin’op zeer bescheiden schaal voet aan de grond te krijgen in rockland. Weliswaar gesteund door het grote Island Records bleef het kwartet bestaande uit zanger-gitarist Kevn Kinney, bassist Tim Nielsen, drummer Jeff Sullivan en gitarist Buren Fowler tevergeefs het publiek bestormen met een mix van heavy metal en folk. Grootste concurrent – in letterlijke zin – in thuisbasis Atlanta waren de stonede rockers van The Black Crowes. Het was een strijd die al bij voorbaat beslist was; de Southern rock van The Black Crowes groeide uit tot een act van wereldformaat. En dat terwijl Drivin’ N’ Cryin’ wisselvallige platen als Whisper Tames The Lion en Mystery Road produceerde. Grote pluspunt van Drivin’ N’ Cryin’ is echter het hese en warme stemgeluid van Kevn Kinney; als de band gas terugneemt en zijn folk-invloeden etaleert, is het Kinney die Drivin’ N’ Cryin’ een enorme impuls geeft. Het begin 1990 verschenen Fly Me Courageous scoort redelijk, maar de druk neemt toe om toch vooral een hit te scoren. Hierdoor raakt de band in een impasse omdat het simpelweg niet kan kiezen tussen Led Zeppelin-achtige rock en meer traditionele folkrock. Het is Kevn Kinney die het dilemma doorbreekt door de niet voor de band geschikte composities op te nemen voor een solo-lp. Het is eenvoudig een briljante zet.
Gesteund door het platencontract met Island en leunend op producer Peter Buck, de gitarist van R.E.M., neemt Kinney de niet voor Drivin’ N’ Cryin’ geschikte composities op in John Keane’s studio in Athens. De opnamen van MacDougal Blues vinden plaats in een geheel akoestische setting. Niet alleen zijn alle bandleden van Kinneys band prominent aanwezig, Kinney en Buck hebben bovendien een klein leger aan sessiemuzikanten weten te strikken. En zo wordt MacDougal Blues niet alleen bevolkt door bas, drums, gitaar, pedal steel en mandoline, maar ook door fiddle, banjo, dulcimer, accordeon en cello. Het verleent de plaat een organisch en aards karakter en om deze reden moet MacDougal Blues gezien worden als een traditionele folk-bluesplaat. Een plaat die teruggrijpt op een ver verleden, die teruggrijpt op de begintijd van de folk en die met gemak gesitueerd kan worden in het New York van de begin jaren zestig. Het New York van de koffiehuizen, van Greenwich Village, van Bob Dylan en Fred Neil.
Niet voor niets is Kinneys solo-debuut vernoemd naar MacDougal Street, een straat waar de legendarische folkscene van de begin jaren zestig samenkwam. MacDougal Blues is daarom een zeer treffende titel voor Kevn Kinneys collectie superieure folksongs. In het openings- en titelnummer geeft Kinney – begeleid door prachtig akoestisch gitaarspel – direct zijn stemverklaring prijs: I come down from Omaha to New York to sing my songs te be a real folk-singer, humdinger. Het draait uit op een teleurstelling; geen Dylan, geen Joni Mitchell en geen Patti Smith. De toon is gezet: melancholie, teleurstelling, verdriet en een soort strijdbaar fatalisme voeren de boventoon op de ogenschijnlijk eenvoudige songs die een verbluffende urgentie bezitten. Kinney is zowel sarcatisch als doodserieus als hij in ‘Not Afraid To Die’ over een repeterend ritme de luisteraar toevertrouwt: I’m not afraid to die but I am afraid to cry. Als de fiddle van stal gehaald wordt in ‘Lost And Found’ is de toon even wat luchtiger, maar daaropvolgend zet de cello de toon in het indringende en diepdonkere ‘Heard The Laughter Ending’. Kinneys bariton, compleet met hese snik, is een machtig medium om de vertellingen kracht bij te zetten. Vertellingen waarin donkere straathoeken, troosteloze wasserettes, lastige huisbazen en ongeschoold werk figureren. Het is een illusieloze en richtingsloze wereld die Kevn Kinney schetst, maar toch roepen de zoete herinneringen een glimp van een glimlach op. En de toekomst blijft perspectief bieden, want hoop doet leven. Deze levensfilosie komt op indringende wijze tot leven op het hoogtepunt van MacDougal Blues, ‘Gotta Get Out Of Here’. Opgestuwd door vurig slide-gitaarspel is Kinney er heilig van overtuigd dat het beter zal gaan als hij maar de kans krijgt om de dodelijke sleur te ontvluchten. Het is een meesterlijke song die bijdraagt aan de artistieke prestatie die Kevn Kinney met MacDougal Blues heeft weten neer te zetten.
MacDougal Blues maakt in één klap Drivin’ N’ Cryin’ compleet overbodig. De band houdt het nog even vol, maar de af en toe gevaarlijk naar bloedeloze hardrock neigende muziek doet zowel Kinney als de overige bandleden geen recht. Kevn Kinney kiest terecht voor een solo-carrière als min of meer traditioneel singer-songwriter. Het levert in de vorm van The Flower And The Knife, Broken Hearts And Auto Parts, Sun Tangled Angel Revival en Comin' Round Again fraaie platen op. Maar wat de toekomst de melancholieke Kinney ook moge brengen, een moderne klassieker heeft de singer-songwriter reeds op zijn naam staan.

MacDougal Blues / Not Afraid To Die / Lost And Found / Heard The Laughter Ending / Last Songs Of Maddie Hope / Gotta Get Out Of Here / The House Above Tina’s Grocery / Iron Mountain / Chico & Maria / Hey Landlord (Meatloaf And Fishsticks)

zondag 15 april 2012

Clay Idols | Falling Down Backwards

Grote onbekenden uit het Los Angeles van de prille jaren negentig. Een album produceert de band; een album dat uitkomt op een klein label; een album dat gevuld is met bloedrode, herfstbruine moodrock met een hoge emotionele waarde; een schitterend album. Maar er hangt een mysterieus waas rond Clay Idols, want na één album opgelost in het niets. De groep is gecentreerd rondom de talenten van zanger/gitarist en songschrijver Steven Schayer. Zijn huiverende, emotievolle stemgeluid in combinatie met zwaarmoedige teksten die overvloeien van beeldspraak en verwijzingen naar angsten en onzekerheden zijn de gezichtsbepalende elementen van de donkere rock van Clay Idols. De band bestaat naast Schayer uit Daniel Berger (gitaar, dulcimer), Mike Kabok (bas) en Rob Jacobs (drums), maar krijgt bij het muzikale inkleuren hulp van viool en cello. De songs van Schayer bevinden zich dan ook tussen de donkere somberte van de American Music Club en de melancholie van R.E.M., terwijl reverb-gitaren en stuwende drums Brtse postpunk-invloeden verraden. Analoog aan die vergelijking zijn schitterende liedjes als 'This House's River', 'Speechless' en 'Best Part Of Bad Weather' zwanger van doem en 'Another Bad Day', 'Flower Thief' en 'Freedom Bridge' bitter van weemoed en dus lichter van toon. Samen met de overige, alle overtuigende composities is Falling Down Backwards een uiterst fascinerend rockalbum dat helaas nergens op aandacht heeft kunnen rekenen. Steven Schayer en de zijnen verdwijnen dan geruisloos van het podium, en nemen het miskende meesterwerk Falling Down Backwards mee de vergetelheid in.
This House's River / Flower Thief / Bells Are Ringing / It Can Only Get Colder / Speechless / Another Bad Day / Straight Line To A Clear Head / Best Part Of Bad Weather / Fortune In A Wishing Well / Freedom Bridge

woensdag 4 april 2012

Hearts And Minds | Hearts And Minds

Bruce Henderson uit Stillwater, Oklahoma heeft begin jaren tachtig zijn eerste bandjes in Austin, Texas. Verhuisd naar New York richt hij, enigszins paradoxaal, een countryrockgroep op. Voor die band, Hearts And Minds, confisqueert de singer-songwriter het cruciale deel van John Cougar Mellencamps begeleidingsband: Kenny Aronoff (drums), Andy York (gitaar), Toby Myers (bas) en Mike Wanchic (lap steel, gitaar). Het enige album dat het samenwerkingsverband oplevert is in 1990 het zelfgetitelde debuut voor A&M Records, dat naast licht ontvlambare countryrocksongs als 'Tenderly', 'Hearts And Minds' en 'Road To Ruin' hartverscheurende ballads bevat als 'Five O'Clock Shadow', 'Living In Sin' en 'House Of Love', dat zeven jaar later nog eens zal opduiken op Hendersons solodebuut The Wheels Roll. Hearts And Minds zijn dan al compleet vergeten, ondanks hun veelbelovende en zeer geslaagde debuut dat in 1990 als een van de weinigen de countryrock-traditie in ere houdt
Tenderly / Speed Rack / Hearts And Minds / Five O'Clock Shadow / House Of Love / Road To Ruin / Which Way The Wind / N / Big As Dallas / Living In Sin / I Know Where I Belong