woensdag 18 april 2012

Maria McKee | Life Is Sweet

Maria McKee stond aan de wieg van de algehele herwaardering van de rootsrock – die nog voortduurt tot de dag van vandaag. De hernieuwde belangstelling voor traditionele, op country, blues en rhythm & blues geschoeide rock ontstond in de punkscene van Los Angeles. Gebaseerd op de gejaagde garagepunk van The Gun Club en The Cramps, waren het rootsbands als The Blasters, Los Lobos en The Beat Farmers en cowpunkers als Blood On The Saddle, Rank And File en Lone Justice die de punkrock een tree verder de evolutieladder op hielpen. De laatste, Lone Justice, werd aangevoerd – en aangevuurd – door Maria McKee. McKee, geboren in 1964, is een typisch product van de Californische hippiecultuur, groeit op in een gebroken gezin en is de halfzuster van Bryan MacLean, gitarist van de legendarische sixtiesband Love. Samen met hem doet ze haar eerste optredens in lokale clubs, waaronder de hippe Whisky-a-G-Go. Maria McKee is nog een teenager als ze in 1982 haar versie van een countrypunkband opricht: Lone Justice. Nog voor de debuutplaat komen McKee en haar mannen dankzij Linda Ronstadt onder contract bij Geffen Records en hier begint het gemanipuleer van de grote platenjongens. Lone Justice wordt flink gehyped en de gelijknamige debuutplaat krijgt met Jimmy Iovine zijn gelikte producer. Onder druk van Geffen formeert McKee een nieuwe Lone Justice en maakt in 1987 onder productionele leiding van Miami Steve VanZandt het gladgestreken en mislukte Shelter. Ondertussen heeft Maria McKee wel Undertones-zanger Fergal Sharkey met ‘A Good Heart’ van een wereldhit voorzien. McKee heeft talent in overvloed, daar zijn de executives bij Geffen het over eens en dus dient zij een solo-carrière te starten. Al in 1989 verschijnt het door Mitchell Froom geproduceerde Maria McKee. Het is een tamelijk tamme cd waarop te horen is dat een onzekere McKee haar definitieve vorm nog niet gevonden heeft. Maar dan scoort ze een regelrechte wereldhit met ‘Show Me Heaven’, afkomstig van de Tom Cruise-speelfilm soundtrack Days Of Thunder en waarin ze figureert naast arrivé’s als Elton John, Tina Turner en Chicago.
Hoewel nog steeds gebonden aan Geffen Records, vangt McKee’s interessante muzikale fase aan met You Gotta Sin To Get Saved, een fraaie countryrock-cd waarop Maria McKee’s talenten nu wel eens tot haar recht komen; hier is een gerijpte en gelouterde zangeres aan het werk. Met ondersteuning van Lone Justice-leden van het eerste uur Marvin Etzioni en Don Heffington, The Jayhawks Mark Olson en Gary Louris en producer George Drakoulias levert McKee een sfeervolle plaat af, geworteld in country, folk en gospel.
Wie verwacht dat Maria McKee voortborduurt op de ingeslagen weg komt bedrogen uit. McKee maakt namelijk een muzikale ommezwaai en komt in 1996 met een inktzwarte rockplaat: Life Is Sweet. Samen met haar muzikale partner uit de Lone Justice-tijd, Bruce Brody, neemt McKee in verschillende studio’s in Los Angeles een dozijn heftige rocknummers op. Slechts ondersteund door drummer en bassist, en het nadrukkelijke toetsenspel van Brody, schreeuwt McKee de longen uit haar lijf in emotionele rocksongs. Ze gilt en raspt, reikt naar duizelingwekkende hoogten en peilloze diepten en pleegt daarmee een frontale aanval op de argeloze luisteraar. Life Is Sweet is geen eenvoudige kost; Life Is Sweet is een ontlading, een katharsis. Nog opvallender dan McKee’s stem is het gierende en rafelige gitaargeluid dat ze produceert op haar Gibson Les Paul. Al gelijk in de opener ‘Scarlover’ zet ze de toon met een rauwe gitaarsound die beton doet scheuren en die in extreem grote mate de herinnering oproept aan Mick Ronson, Bowie’s vroegere gitarist. Maar ook McKee’s geëxalteerde performance, evenals haar barokke composities, doen denken aan David Bowie ten tijde van Aladdin Sane. Life Is Sweet biedt talloze hoogtepunten in de vorm van ‘This Perfect Dress’, ‘I’m Not Listening en ‘I’m Awake’ met zijn ijzige mellotron, dreigende gitaar en melodramatische strijkers. De echte hoogtepunten worden echter gevormd door het claustrofobische ‘Absolutely Barking Stars’ – I’m tearing at the seam but it never comes apart – en het naar een briljante climax gevoerde titelnummer ‘Life Is Sweet’, een titel die alleen maar cynisch opgevat kan worden. Hoe het ook zij; Life Is Sweet is zowel een onvervalste heavy glamrockplaat als een gevaarlijk en angstaanjagend album.
Hoe de toekomst er ook voor Maria McKee uit gaat zien – pas na zeven jaar en losgeweekt van Geffen verschijnt haar volgende cd – Life Is Sweet is hoe dan ook de dark horse in haar oeuvre. Grote kans dat Life Is Sweet de geschiedenis in zal gaan als Maria McKee’s barokke meesterwerk.
Scarlover / This Perfect Dress / Absolutely Barking Stars / I’m Not Listening / Everybody / Smarter / What Else You Wanna Know / I’m Awake / Human / Carried / Life Is Sweet / Afterlife

dinsdag 17 april 2012

Indian Summer | Upriver

Indian Summer. De browser van het Nederlands Pop Instituut geeft geen enkel resultaat; Indian Summer bestaat niet bij het NPI. Zoekmachines op het internet laten evenmin informatie los. Nergens lijkt er informatie te bestaan over Indian Summer, een Nederlandse countryrockband die in 1992 een magnifieke cd op de wereld losliet. Met als resultaat: zilch.
Indian Summer heeft zich niet kunnen manifesteren in het Nederlandse muzikale landschap, terwijl juist in de begin jaren negentig er volop aandacht was voor de ontwikkeling van een volwassen popcultuur. Het pad geplaveid door de Amsterdamse gitaarschool – met in de voorhoede Claw Boys Claw en Fatal Flowers – ontstonden er ook buiten Amsterdam lokale scenes die interessante bands opleverden. Een nieuwe gitaarlichting met als voorname exponenten De Artsen (later getransformeerd tot Bettie Serveert), Hallo Venray, Blue Guitars, The Prodigal Sons, The Serenes, Daryll-Ann en ook Indian Summer baseerde zich op klassieke rock en vermengde dat met folk- en countryrock-elementen. Vooral de laatste – Indian Summer – toonde zich een spannende hybride van gitaarrock en countryrock; met de nadruk op het laatste.
Indian Summer werd opgericht in Nijmegen, bestond uit zes bandleden en werd aangevoerd door zanger en componist Marc Brand. De band verdiende in 1990 een ereplaats tijdens de Roos van Nijmegen, een regionale talentenwedstrijd, en kwam hierdoor onder de aandacht van het Haagse platenlabel VAN. Indian Summer maakte vervolgens door hun intense optredens veel indruk op VAN, zodat het label de enige juiste beslissing nam: het bood Indian Summer aan een cd op te nemen.
In 1992 – een topjaar wat de doorbraak van de Nederlandse alternatieve gitaarrock betreft – verschijnt Upriver, een debuut waar Indian Summer voor altijd trots op mag zijn. Upriver is namelijk een ijzersterke countryrockplaat, die zelfs naar internationale maatstaven gemeten een van de beste platen in het genre is in het muziekjaar 1992. Indian Summer behoort vanzelfsprekend niet tot de originators van het genre dat zich op het kruispunt bevindt van gitaarrock en country, maar betoont zich wel op een respectvolle manier schatplichtig aan iconen als The Byrds, Warren Zevon en natuurlijk Neil Young. In die zin kan Indian Summer vergeleken worden – en de vergelijking doorstaan – met een band als R.E.M. Natuurlijk is de scope waarbinnen Indian Summer acteert van een totaal andere orde dan die van R.E.M., maar het zou – zeker in retrospect – een grote vergissing zijn om Indian Summer af te doen als epigonen. Indian Summer is namelijk uitstekend gekwaliceerd en zou, wellicht arbitrair, een wereldband hebben kunnen zijn, ware ze afkomstig geweest uit Amerika of Engeland. Helaas is dat niet zo, maar dat doet totaal niets af aan de kwaliteit van Upriver.
Upriver trapt af met het opzwepende en fraaie ‘Every Flower’ en hierin komen gelijk de kenmerkende elementen naar voren: de dubbele gitaarline-up – met een wisselwerking tussen de ritmische slaggitaar en de soepele soli van de leadgitarist – en de samenzang tussen Marc Brand en zangeres Lisa Pals. Deze samenzang roept de herinnering op aan de ultieme tandem Gram Parsons/Emmylou Harris en dat is een kwaliteit die de gehele plaat naar een hoger plan tilt. Marc Brand bedient zich daarbij van een cowboy- en westernachtige vocabulaire, waarbij hij obligate beeldtaal niet bepaald schuwt. Niettemin roepen de nummers een reële sfeer op van dorre landschapen, verlaten weggetjes en zinderende temperaturen – desertrock in optima forma. Hoogtepunten zijn er in overvloed, zoals ‘Southern Land’ met een gitaarsolo die qua intensiteit en sfeer niet ver verwijderd is van Neil Youngs ‘Like A Hurricane’, ‘For That Day’, met jankende pedal steel en ‘Long Forgotten Trails’ met zijn messcherpe en bloedmooie samenzang. Upriver sluit op zinderende wijze af met het epische – en ruim acht minuten klokkende – ‘The Hollow Road’. Een schitterend slotakkoord van een zeer overtuigende en fantasievolle cd.
Het blijft echter bij een cd. Indian Summer ondernam nog een tournee langs de vaderlandse podia, maar het lijkt erop dat de band als snel ontbonden werd. Op het platenfront werd nooit meer iets vernomen van deze uiterst talentrijke band. Zoals gezegd, zowel componist Marc Brand als Indian Summer is helaas geen voetnoot gegund in de historie van de Nederlandse popmuziek. En dat is een groot onrecht.
Every Flower / High Rider / Falling To Pieces / For That Day / Wind In My Hair / Long Forgotten Trails / Badlands / Bigger Than You / Osma / Southern Land / Wind All The Way / The Hollow Road

Peter Bruntnell | Normal For Bridgwater

Terwijl The Jayhawks niet meer bestaan en Son Volt tot een tijdelijk halt gekomen is, is daar in 1999 opeens Peter Bruntnell die de ontstane ruimte opvult. Zijn derde cd, Normal For Bridgwater, ademt de sfeer van klassieke neo-countryrock en past dus feilloos tussen het werk van Jayhawks, Son Volt en ook Wilco en Whiskeytown. En dat is uitzonderlijk voor een Brit. Peter Bruntnell, afkomstig uit Zuid-Londen, maakt in 1995 zijn weinig succesvolle debuut met Cannibal, twee jaar later gevolgd door Camelot In Smithereens. Het is artistiek een stap vooruit, maar commercieel opnieuw een flop, waardoor Bruntnell zonder contract komt te zitten. Het brengt hem echter wel in contact met Jay Farrar en Son Volt, voor wie Bruntnell en zijn band in 1997 het voorprogramma van de Britse tour verzorgen. Aldus geïnspireerd door alt.country gaat het roer definitief om bij Bruntnell. Hij formeert een nieuwe band, bassist Peter Noone mag blijven, met daarin drummer Michael Clews en de jonge, talentvolle gitarist James Walbourne, opgepikt uit de zaal na een optreden. Country en twang doen hun intrede in de nieuwe songs die Peter Bruntnell schrijft, hetgeen wordt opgemerkt door Rykodisc-baas George Howard die Bruntnell aantrekt voor zijn net opgerichte americana-label Slow River. Howard haalt Bruntnell en zijn band naar Zippah Studios in Boston, Massachusetts en neemt daar zonder poespas en studiotrucs maar met Son Volt-leden Eric Heywood (pedal steel) en Dave Boquist (fiddle) de twaalf liedjes op van Normal For Bridgwater. Het zijn elegante, harmonische en diepgevoelde liedjes die een muzikale sfeer oproepen van landelijke, golvende weggetjes, neonverlichting en de uitgestrekte velden van het Amerikaanse Midwesten. Hoewel ‘Jurassic Parking Lot’ inderdaad handelt over het grootste neonbord van Noord Amerika, gaan de ijzersterke songs ‘N.F.B.’ (Normal For Bridgwater) over een stadje in Sussex, Engeland waar iedereen tamelijk gestoord is en ‘By The Time My Head Gets Back To Phoenix’ over gefortuneerde Britten die door invriezing van hun hoofd het eeuwige leven denken te bereiken. ‘Outlaw (May The Sun Always Shine)’ is een countryballad die vreemd genoeg gecomponeerd is met Randy Bachman van Bachman Turner Overdrive, ‘Cosmea’ is vanwege de jeremiërende fiddle een echte Appalachen-song en ‘Forgiven’ en ‘Lay Down The Curse’ zijn Uncle Tupelo-achtige rockers. De kern van Bruntnells compositorische vaardigheden, in combinatie met zijn onderkoelde, hese stemgeluid, is echter te vinden in schitterend weemoedige countryrockliedjes als ‘Handful Of Stars’, ‘Played Out’ en ‘Shot From A Spring’, liedjes die bovendien de fenomenale James Walbourne laten schitteren op gitaar, banjo en Hammond. Onder critici wordt Normal For Bridgwater uitstekend ontvangen – volgens de NME moeten Bruntnells platen op scholen onderwezen worden – maar uiteindelijk worden er in Amerika ongeveer 8.500 verkocht, in Engeland zo’n 3.000 en in Nederland een paar honderd. Dat is bepaald niet spectaculair voor een neo-countryrock meesterwerk van een groots talent; dat in 2005 nog eens bevestigd wordt door het uitzonderlijke fraaie Ghost In A Spitfire.
Handful Of Stars / You Won’t Find Me / N.F.B. / Forgiven / By The Time My Head Gets To Phoenix / Played Out / Cosmea / Lay Down This Curse / Shot From A Spring / Jurassic Parking Lot / How You Are / Outlaw (May The Sun Always Shine)

zondag 15 april 2012

Clay Idols | Falling Down Backwards

Grote onbekenden uit het Los Angeles van de prille jaren negentig. Een album produceert de band; een album dat uitkomt op een klein label; een album dat gevuld is met bloedrode, herfstbruine moodrock met een hoge emotionele waarde; een schitterend album. Maar er hangt een mysterieus waas rond Clay Idols, want na één album opgelost in het niets. De groep is gecentreerd rondom de talenten van zanger/gitarist en songschrijver Steven Schayer. Zijn huiverende, emotievolle stemgeluid in combinatie met zwaarmoedige teksten die overvloeien van beeldspraak en verwijzingen naar angsten en onzekerheden zijn de gezichtsbepalende elementen van de donkere rock van Clay Idols. De band bestaat naast Schayer uit Daniel Berger (gitaar, dulcimer), Mike Kabok (bas) en Rob Jacobs (drums), maar krijgt bij het muzikale inkleuren hulp van viool en cello. De songs van Schayer bevinden zich dan ook tussen de donkere somberte van de American Music Club en de melancholie van R.E.M., terwijl reverb-gitaren en stuwende drums Brtse postpunk-invloeden verraden. Analoog aan die vergelijking zijn schitterende liedjes als 'This House's River', 'Speechless' en 'Best Part Of Bad Weather' zwanger van doem en 'Another Bad Day', 'Flower Thief' en 'Freedom Bridge' bitter van weemoed en dus lichter van toon. Samen met de overige, alle overtuigende composities is Falling Down Backwards een uiterst fascinerend rockalbum dat helaas nergens op aandacht heeft kunnen rekenen. Steven Schayer en de zijnen verdwijnen dan geruisloos van het podium, en nemen het miskende meesterwerk Falling Down Backwards mee de vergetelheid in.
This House's River / Flower Thief / Bells Are Ringing / It Can Only Get Colder / Speechless / Another Bad Day / Straight Line To A Clear Head / Best Part Of Bad Weather / Fortune In A Wishing Well / Freedom Bridge

vrijdag 13 april 2012

Todd Rundgren | Something/Anything?

Reeds lang uitgekeken op het bandconcept – lees: het leiderschap van The Nazz – en gefascineerd door de naar binnen gekeerde singer-songstress-stijl van Carole King en Laura Nyro, ontwikkelt Todd Rundgren zich begin jaren zeventig tot de glitterachtige, kwikzillveren artiest die hij is als hij na twee soloplaten werkt aan zijn meest ambitieuze soloproject tot dan toe: het allesomvattende Something/Anything?. Rundgren is inmiddels zeer vertrouwd met de modernste studiotechnieken; is niet alleen multi-instrumentalist maar ook producer van albums van The Band en Badfinger, en kiest zijn domicilie in de Bearsville-studios in upstate New York, eigendom van Dylan-manager Albert Grossman. Toch neemt Rundgren het merendeel van zijn wagonlading nieuwe songs in Los Angeles op met producer James Lowe – voormalig zanger van The Electric Prunes. Todd Rundgren smeert op Something/Anything? vele, vele muzikale stijlen uit over vier plaatkanten: ballads, soul, powerpop, psychedelische rock, pianopop en allerlei studio-gekkigheid. Toch houdt de studio-wizzard het overzichtelijk: de plaatkanten zijn verdeeld in thema’s. Kant 1 is a bouquet of ear-catching melodies, wat geen woord teveel gezegd is vanwege de aanwezigheid van het catchy Carole King-tribute ‘I Saw The Light’, de hemelse songs ‘It Wouldn’t Have Made Any Difference’ en ‘Sweeter Memories’, en het eerbetoon aan Amerika’s beroemdste dj: ‘Wolfman Jack’. Kant 2 is de cerebral side met Pet Sounds-achtige harmonie-kathedralen als ‘The Night The Carousel Burnt Down’ en ‘Marlene’. Op kant 3 the kid gets heavy, zoals blijkt uit de heavy rocksongs ‘Black Maria’ en ‘Little Red Lights’, de aanstekelijke powerpopsong ‘Couldn’t I Just Tell You’ en ook de kaalgestripte, Laura Nyro-ballade ‘Torch Song’. De laatste kant – a pop operetta – heeft Rundgren gereserveerd voor een grote schare bevriende muzikanten zoals toetsenist Mark Klingman, pedalsteel-speler Ben Keith, de gitaristen Rick Derringer en Amos Garrett, de blazende broers Brecker en de ritmesectie-broers Tony en Hunt Sales. Dit gezelschap roert zich muzikaal in het schitterende, soulvolle en Elton Johneske ‘Dust In The Wind’ en een remake van ‘Hello It’s Me’, dat tot single gebombardeerd Rundgren de hitlijsten in katapulteert. De hutspot van Something/Anything? volgt in dit spoor, levert het dubbelalbum de kwalificatie van meesterwerk op en vestigt de reputatie van zijn schepper als geniale muzikale avonturier definitief. Todd Rundgren gaat in de jaren zeventig door met het maken van avontuurlijke albums, wordt succesvol met zijn band Utopia en zal nog spraakmakende albums produceren van Grand Funk, New York Dolls, Meat Loaf, The Tubes, Patti Smith en XTC. Zelfs vijfendertig jaar na de release Something/Anything? blijkt Todd Rundgren nog steeds een visionair muzikant.
I Saw The Light / It Wouldn’t Have Made Any Difference / Wolfman Jack / Cold Morning Light / It Takes Two To Tango (This Is For The Girls) / Sweeter Memories / Intro / Breathless / The Night The Carousel Burnt Down / Saving Grace / Marlene / Song Of The Viking / I Went To The Mirror / Black Maria / One More Day (No Word) / Couldn’t I Just Tell You / Torch Song / Little Red Lights / Overture – My Roots: Money (That’s What I Want)/Messin’ With The Kid / Dust In The Wind / Piss Aaron / Hello It’s Me / Some Folks Is Even Wither Than Me / You Left Me Sore / Slut

donderdag 12 april 2012

Badly Drawn Boy | Have You Fed The Fish?

Damon Gough heeft de true spirit van de ware singer-songwriter annex muzikale knutselaar. Ziehier: de Mancunian studeert een blauwe maandag jazz aan het conservatorium, wil als hij achttien is studio-engineer worden en richt in 1997 met DJ Andy Votel platenlabel Twisted Nerve op. Dan koopt Gough een Tascam 144 – een portable studio – net zo een als waar zijn idool Bruce Springsteen Nebraska mee opnam, en knutselt een rafelige lo-fi-plaat in elkaar die een ieder verrast. The Hour Of The Bewilderbeast wint in 2000 dan ook de prestigieuze Mercury Prize. Maar hoe volg je zo'n succesvol debuut op? Door bijvoorbeeld iedereen op het verkeerde been te zetten met de gestileerde soundtrack voor de verfilming van Nick Hornby's About A Boy. Maar de ware opvolger is datzelfde jaar nog Have You Fed The Fish?; productietechnisch en qua ambitieniveau beslist een paar fikse stappen vooruit ten opzichte van de voorgangers. Productie, arrangementen en de gedreven uitvoering van Gough zijn nadrukkelijk ambitieus en reiken naar grote hoogten en ondanks dat de plaat in Engeland is opgenomen is er een grote Amerikaanse inbreng, zoals producer Tom Rothrock (Beck, Elliott Smith) en erkende studiocats als Jon Brion en Joey Waronker. Maar de grote baas is, inmiddels uitgerust met een wollen muts à la Springsteen ten tijde van Born To Run, Damon Gough zelf. Have You Fed The Fish? is puur pop-eclecticisme en ontstijgt elke classificatie. Gough graaft nadrukkelijk in de popgeschiedenis en switcht daarbij probleemloos van de Amerikaanse Westkust naar de indie-rock van Albion; en van pop, vaudeville en bossanova naar soul en rock. Gough had het songschrijven al onder de knie, maar hier overtreft hij zichzelf qua zeggingskracht en song-opbouw. Op Have You Fed The Fish? zijn talloze topklasse composities te vinden die ook nog eens zeer overtuigend en met hoorbaar plezier neergezet worden. 'You Were Right', de torchsong 'How?', het 40-seconden miniatuurtje 'Imaginary Lines', de popsong 'What Is It Now?' en de fenomenale afsluiter 'Bedside Story' noemen, doet in feite de overige tien liedjes tekort, want Have You Fed The Fish? is een volstrekt samenhangend geheel; is spannend en verrassend tot in de kleinste details. Have You Fed The Fish? is voorbestemd een moderne klassieker te zijn.
Coming In To Land / Have You Fed The Fish? / Born Again / 40 Days, 40 Fights / All Possibilities / I Was Wrong You Were Right / Centrepeace / How? / The Further I Slide / Imaginary Lines / Using Our Feet / Tickets To What You Need / What Is It Now? / Bedside Story

City And Colour | Little Hell



Met zijn soloproject City And Colour maakt Dallas Green de overstap van punk – met zijn band Alexisonfire – naar parelende folky pop. In 2005 besluit de hardcore troubadour uit Ontario, Canada namelijk om er naast Alexisonfire een particulier bandje op na te houden dat, hoewel cryptisch, zijn eigen naam draagt: City staat voor Dallas en Colour voor Green. De semi-akoestische popsongs die Green opneemt zijn opvallend fris en catchy en verraden diens grote compositorische talent. Na Sometimes (2005) en Bring Me Your Love (2007) is Liitle Hell in 2011 een gigantische sprong voorwaarts. De karakteristieke falsetstem van Green is warm en toegankelijk en bevindt zich te midden van een prachtig muzikaal decor van akoestische gitaren, cello, pedal steel, Wurlitzer en piano, in een ouderwets-analoge productie. Dallas wisselt intense en knap geconstrueerde alt.folkpopliedjes als 'Liitle Hell', 'Fagile Bird', 'O' Sister', 'Silver And Gold' en 'Hope For Now' – met een geweldige grande finale – af met een aanstekelijke gitaarpopsong als 'Weightless' en het machtig slepende 'Sorrowing Man'. Afwisseling, diepgang en een hoog melodieus gehalte kenmerken Liitle Hell, dat de obscuriteit verre ontstijgt en zelfs commerciële appeal heeft. Dallas Green is een krachtige singer-songwriter waarmee rekening gehouden moet worden; Liitle Hell is alvast een fantastische proeve van bekwaamheid en een alternatief meesterwerkje bovendien.
We Found Each Other In The Dark / Natural Disaster / The Grand Optimist / Little Hell / Fragile Bird / Northern Wind / O' Sister / Weightless / Sorrowing Moon / Silver And Gold / Hope For Now