zondag 18 november 2012

The Hiders | Valentine


Billy Alletzhauser is al van jongs af aan een muzikant in al zijn vezels. Zijn muzikale leven speelt zich echter aanvankelijk louter binnenskamers af, maar eind jaren tachtig treedt Alletzhauser naar buiten als gitarist van de uit Cincinnati, Ohio afkomstige Ass Ponys. Nog steeds min of meer vanuit huis – en zijn huisstudio, The Batcave – begint Alletzhauser met Beth Harris vervolgens een eigen band: The Hiders. Zonder platencontract brengen Alletzhauser en Harris een band op de been met daarin naast de ritmesectie gitarist en pedal steel-speler Toby Harris. In 2006 neemt het gezelschap in Nashville, Tennessee met producer Brad Jones (Matthew Sweet, Cotton Mather, Dolly Varden) het debuutalbum Valentine op, dat Alletzhauser in eigen beheer uitbrengt. Valentine is zo'n plaat die – hoewel onbekend en obscuur – in al zijn poriën een klassieke Westcoast countryrockplaat is vanwege de pedal steel, mondharmonica, epische gitaarsolo's en de lijzige Neil Young-zang. De eerste twee nummers klinken nogal folky en rollen en wiegen aangenaam op een lome beat en de fluisterstemmen van Alletzhauser en Harris, overigens met de allure van Gram Parsons en Emmylou Harris. Daarna begint het echte werk als de gitaar en de pedal steel in stelling worden gebracht. Traag, stroperig en met scheurend gitaarwerk trekken dan de hoogtepunten voorbij: 'Bones In The Well', 'Lets Forget' en de zeven goddelijke minuten van 'Persephone', Alletzhausers eigen 'Cowgirl In The Sand'. Verder worden smaakvol sixtiesinvloeden – Moby Grape, Buffalo Springfield – geïntegreerd in het heldere en soms rafelige bandgeluid. En ook dan zijn de retro-countrypsych-liedjes van een uitzonderlijk hoog kaliber – 'Hawaiian Ice', 'You Can't Hurt Me Anymore' – om maar niet te spreken van de dromerige en feërieke rustpunten die de trekkende gitaarsongs perfect afwisselen. Op het snijpunt van retro, countryrock en vintage-Neil Young, Valentine is een schitterend debuut van de kosmische cowboys van The Hiders.

Everything I Wanted / Hideous Sunbeam / Bones In The Well / Lets Forget / Persephone / Hawaiian Ice / Magic Show / Take Me Back / Bury Me / You Can't Hurt Me Anymore / Into The Sun


zaterdag 17 november 2012

10,000 Maniacs | In My Tribe


In My Tribe is niet alleen 10,000 Maniacs' beste, maar ook meest bijzondere album. Het betekent in 1987 een doorbraak voor de band uit Jamestown, New York. Er zijn bescheiden hits in 'LikeThe Weather' en 'What's The Matter Here?', maar de kracht van In My Tribe zit dieper verscholen.
10,000 Maniacs, gecentreerd rond Natalie Merchant, lift in het midden van de jaren tachtig mee op de successen van Amerikaanse gitaarbands als R.E.M. en het fenomeen college rock. In 1984 tekent 10,000 Manics – losjes vernoemd naar een cultfilm – bij folkrocklabel Elektra en weet producer Joe Boyd te strikken voor het major debuut The Wishing Chair en vervolgens legende Peter Asher (o.a. James Taylor en Linda Ronstadt) voor de opvolger In My Tribe. 10,000 Maniacs genereert een bijzondere sound die de southern-indie van R.E.M. combineert met de Britse folkrock van Fairport Convention. Op In My Tribe komt dit vooral tot zijn recht in jengelende, countryeske folkrockliedjes als 'Hey Jack Kerouac', 'Don't Talk' en het epische 'The Painted Desert' – een ode aan het overweldigende Amerikaanse landschap. 'Verdi Cries' is voorts een superieure ballad die Sandy Denny in herinnering roept, 'A Campfire Song' herbergt een korte Michael Stipe cameo en de cover van Cat Stevens' 'Peace Train' een live-favoriet die aanvankelijk een comfortabel plekje krijgt op In My Tribe. Aanvankelijk, want als Cat Stevens – tot de islam bekeerd – zich achter de fatwa tegens Salman Rushdie schaart, verwijdert platenlabel Elektra de track van het album..
Ook zonder 'Peace Train' is In My Tribe nog steeds een fraai jaren tachtig folkrockalbum van een band die niet meer beter zal worden. Temeer daar de ziel van de band, zangeres en componiste Nathalie Merchant, 10,000 Maniacs in 1993 vaarwel zegt.

What's The Matter Here?/ Hey Jack Kerouac / Like The Weather / Cherry Tree / The Painted Desert / Don't Talk / Peace Train / Gun Shy / My Sister Rose / A Campfire Song / City Of Angels / Verdi Cries

donderdag 15 november 2012

Barefoot Jerry | Southern Delight


Uit respect worden ze de ‘Nashville Cats’ genoemd, maar de groep studiomuzikanten noemt zichzelf Area Code 615 – naar het netnummer van Nashville. Wegens het vele sessiewerk voor anderen komt Area Code 615 niet echt van de grond – de twee lp’s zijn nogal matig – maar daar staat wel tegenover dat de muzikanten uitblinken op Bergen White’s For Women Only, John Stewarts California Bloodlines en Bob Dylans Blonde On Blonde. In 1971 besluit de kern van Area Code 615 voor eigen kansen te gaan. Met de klassiek geschoolde pianist John Harris richten ze Barefoot Jerry op. ‘Ze’ zijn bassist en steelgitarist Wayne Moss – geschoold in de begeleidingsband van Brenda Lee –, drummer Kenny Buttrey – te horen op Neil Youngs Harvest – en gitarist Mac Gayden – verantwoordelijk voor de slidegitaar-partijen op J.J. Cale’s Naturally en componist van de popklassieker ‘Everlasting Love’. Een uitgelezen gezelschap dus, dat het traditionele Nashville zat is en het avontuur zoekt in hashdampen en de flower power-scene van de Westcoast. In Moss’ eigen Cinderella Studios in Madison, Tennessee neemt Barefoot Jerry in minder dan een maand het debuutalbum op voor Capitol. Southern Delight neemt southern rock en zuidelijke hillbilly als uitgangspunt, het meest evident in het relativerende, alternatieve volkslied ‘I’m proud To Be A Redneck’: We’ll make peace and lots of love / South’s gonna rise again. Maar de band, vernoemd naar een oude fiddler uit de Great Smokey Mountains, schuwt het avontuur niet en breidt het idioom uit met gospel, countrysoul, Westcoast-harmonieën en weelderige arrangementen. ‘Come To Me Tonight’ kent schitterende C,S&N-achtige harmoniezang, evenals ‘Blood Is Not The Answer’, dat door barokke toetsen naar een schitterende climax gebracht wordt. Dat laatste geldt ook voor de monumentale afsluiter ‘That’s Ok, He’ll Be Your Brother Someday’. Naast de gospel van ‘Finishing Touches’ en de soepele soul van ‘The Minstrel Is Free At Last’ – met een hemelsplijtende gitaarsolo van Gayden – omvat het avontuur eveneens John Harris’ sfeervolle toetsenspel en de toevoeging van moog en mellotron. Tezamen met de muzikale virtuositeit van Gayden, Moss en Buttrey, die songs als ‘Smokies’, ‘Quit While You’re A Head’ en ‘The Hospitality Song’ naar grote hoogten stuwt, is Southern Delight een sublieme samenvoeging van southern rock en Westcoast-countryrock. Hierdoor is het debuutalbum van Barefoot Jerry tamelijk uitzonderlijk in zijn soort en is ondanks de relatieve onbekendheid het predicaat meesterwerk welverdiend. Southern Delight is aldus Barefoot Jerry’s meest bijzondere lp van een totaal van zeven, niet in de laatste plaats omdat het de enige plaat is in de samenstelling Wayne Moss, Mac Gayden, Kenny Buttrey en John Harris.

The Hospitality Song / I’m proud To Be A Redneck / Smokies / Quit While You’re A Head / Blood Is Not The Answer / Come To Me Tonight / Finishing Touches / The Minstrel Is Free At Last / Nobody Knows / That’s Ok, He’ll Be Your Brother Someday


woensdag 14 november 2012

The Tragically Hip | Up To Here


Het zijn jeugdvrienden uit Kingston, Canada, die na high school en high schoolbands in 1983 The Tragically Hip – de naam ontleend aan een Michael Nesmith-video – oprichten: zanger Gordon Downie, gitarist Bobby Baker, bassist Gord Sinclair, drummer Johnny Fay en een Noord-Amerikaanse saxofonist die al snel het veld ruimt voor ritmegitarist Paul Langlois. Zat van de zielloze nep-rock-’n-roll van Noord-Amerikaanse bands die optreden in de dranklokalen in hun woonplaats Kingston, gaat The Hip zijn eigen rock-’n-roll spelen. Aanvankelijk komen ze alleen aan de bak als coverband – met als voordeel dat ze leren spelen en leren het publiek te bespelen – maar gaandeweg ontwikkelt The Tragicaly Hip een eigen repertoire op basis van klassieke bands uit de jaren zeventig zoals The Rolling Stones, Creedence Clearwater Revival, Little Feat en ja, Golden Earring. Ze worden tijdens een optreden in Toronto ontdekt door de labelbaas van MCA Records en brengen in 1987 een mini-cd uit. Voor het volwaardige debuut reist de band zuidwaarts naar Memphis, Tennessee en neemt onder leiding van Don Smith in de legendarische Ardent Studios het debuutalbum Up To Here op. The Tragically Hip betonen zich wars van intellectualisme, bezitten een aards arbeidsethos van drinken en spelen – en dat levert een dampende en stampende rock-’n-rollplaat op. Het is pretentieloze rock-’n-roll; maar fantastische pretentieloze rock-’n-roll. Downie beschikt over een ruig stemgeluid en kwaakt zijn moeilijk te doorgronden teksten in de microfoon, al passeren onderwerpen als fellatio, ontsnapte gevangenen, geladen wapens en het apocalyptische beeld van een zinkende stad de revue. Dat laatste geeft blijkt van een helderziende blik: ‘New Orleans Is Sinking’, een zompige rootsrocksong, evenals ‘Blow At High Dough’ en ‘When The Weight Comes Down’. ‘Another Midnight’ kent een broeierige, southern R.E.M.-sfeer, ‘Opiated’ is een onheilszwangere rocksong met rammelende gitaarsolo van Baker, ‘She Didn’t Know’ wordt voortgejaagd door stuwende en solerende elektrische gitaren en ‘38 Years Old’ is een met slidegitaar doortrokken menselijk drama. De Canadezen laten zich op Up To Here gelden als in de Mississippi-delta gewortelde rock-’n-rollers – en in deze gedaante maken ze zonder meer indruk. Dat blijkt ook uit de verkoopcijfers in thuisland Canada: drievoudig platina. Vervolgplaten als Road Apples en Fully Completely verstevigen deze reputatie; ook in de Verenigde Staten en ook in Nederland, waar The Tragically Hip kan rekenen op volle zalen. Dat blijkt wel uit ‘At The Hundreth Meridian’ van Fully Completely: populair van Buffalo tot Hengelo.

Blow At Heigh Dough / I’ll Believe In You (Or I’ll Be leaving Tonight) / New Orleans Is Sinking / 38 Years Old / She Didn’t Know / Boots Or Hearts / Everytime You Go / When The Weight Comes Down / Trickle Down / Another Midnight / Opiated

dinsdag 13 november 2012

Mark Eitzel | Don't Be A Stranger


Het is altijd Mark Eitzel die het Mark Eitzel moeilijk gemaakt heeft. De ene Mark is een bescheiden romanticus, de andere een getormenteerde zonderling die zich van niets en niemand iets aantrekt. Waarschijnlijk ligt in deze tegenstelling het godvergeten talent besloten van de gekwelde singer-songwriter uit San Francisco. Het verhaal mag bekend worden verondersteld; van 1985 tot en met 1994 maakte Eitzel zeven overwegend geniale rockplaten met American Music, hetwelk de band een onversneden cultstatus bezorgde. In 2005 blies Eitzel vrij plotseling samen met AMC-gitarist en tramconducteur Vudi de band weer nieuw leven in, maar ook dat kwam in 2011 tot een voorlopig-definitief halt. De oorzaak: een hartaanval voor de man met het romantische hart. Al eind jaren negentig startte Mark Eitzel een solocarrière op, maar ondanks dat hij in 1991 door Rolling Stone tot singer-songwriter van het jaar werd uitgeroepen, was het steevast hard ploeteren voor een commerciële doorbraak die er niet kwam. Publiek, platenlabels en geldschieters wilden wel American Music Club, maar geen Eitzel solo. De onberekenbare, onzekere Eitzel nam, herstellende van de hartaanval, een dapper besluit: geen American Music Club meer, maar wel een persoonlijk solo-album. Of zoals Mark Eitzel dat zelf formuleerde: geen Wall of Sound meer.
Een geluk bij een ongeluk – Eitzel is doorgaans doodongelukkig – was dat een fan geld fourneerde voor de opnamen van Don't Be A Stranger, dat de treurige troubadour opnam met onder meer Vudi en Attractions-drummer Pete Thomas en dat uitermate warm werd geproduceerd. Eitzels teksten zijn nog immer droefgeestig en bitterzoet, maar muzikaal is Don't Be A Stranger een warm bad. Prachtig ingetogen klinken de piano, de akoestische gitaar en Vudi's bescheiden elektrische in werkelijk fantastische liedjes als 'I Love You But You're Dead', 'Oh Mercy' en 'Costumed Characters Face Dangers While At The Workplace', die sterk neigen naar het mooiste van AMC's California en Everclear. Gloedvolle strijkers die wel lijken te zijn gearrangeerd door Robert Kirby, toveren voorts stemmige liedjes als 'I Know The Bill Is Due' en 'Nowhere To Run' om tot melancholische, bloedrood gekleurde ballads. Don't Be A Stranger is een soort van romantisch meesterwerk. Mark Eitzel had met dit album een kruising op het oog tussen Neil Youngs Harvest en Nick Drake's Five Leaves Left. Op de een of andere manier is hij daar wonderwel in geslaagd.

I Love You But You're Dead / I Know The Bill Is Due / All My Love / Oh Mercy / Costumed Characters Face Dangers While At The Workplace / Why Are You With Me? / Lament For Bobo The Clow / Break The Champagne / We All Have To Find Our Own Way Out / Your Waiting / Nowhere To Run 

maandag 12 november 2012

The Dukes Of Stratosphear | 25 O’Clock


The Dukes Of Stratosphear zijn het slechtst bewaarde geheim van de jaren tachtig popmuziek. Hoewel de bandleden zich schuilhielden achter illustere namen als Sir John Johns, Lord Cornelius Plum, The Red Curtain en E.I.E.I. Owen, maakte platenmaatschappij Virgin om verkooptechnische redenen direct bekend dat het hier om XTC ging. 25 O’Clock, de eerste plaat en niet meer de een ep, verscheen op 1 april 1985 en verkocht drie keer zoveel als de laatste reguliere XTC-plaat. En dat terwijl 25 O’Clock niet meer dan een grap was en minder dan 5.000 pond had gekost. Op deze toverbal van een plaat wordt de voorliefde voor Britse psychedelica – Pink Floyd, Tomorrow, The Beatles – gebotvierd in zes dynamische, transparante songs, waarvan het titelnummer speciale vermelding verdient; een overdonderende mengeling van Sgt. Pepper, Pink Floyds 'Money' en Arthur Browns 'Fire'. Het succes smaakte naar meer en dus maakte XTC – na de opnamen van Skylarking – met opnieuw een beperkt budget een volwaardig album, wederom gestoken in een waanzinnige, psychedelische hoes. Psonic Psunspot is een waardige opvolger; een conceptalbum dat geen conceptalbum is, volgestopt met psychedelische gekkigheidjes, maar vooral ook met mooie songs. The Dukes Of Stratosphear-releases zijn volwaardige XTC-albums en behoren zonder meer tot het muzikale erfgoed van de jaren tachtig.

25 O'Clock / Bike Ride To The Moon / My Love Explodes / What In The World? / Your Gold Dress / The Mole From The Ministry

zaterdag 10 november 2012

Steve Miller Band | Sailor


Het moment dat Capitol bereid is te investeren in het product Steve Miller worden zijn singles en albums millionsellers. Dat begint in 1973 met de single ‘The Joker’, een nummer 1-hit in de VS, gevolgd door het zeer succesvolle gelijknamige album. Miller vindt zichzelf opnieuw uit en wordt de clevere hitschrijver van gepolijste singles die miljoenen verkopen, evenals de albums waarvan ze worden gelicht: Fly Like An Eagle (vijf miljoen exemplaren) en Book Of Dreams (vier miljoen exemplaren. Maar de Steve Miller van vóór zijn evident commerciële periode is een andere Miller. Steve Miller, geboren in Milwaukee, Wisconsin, groeit op in Texas en leert daar via legendes T-Bone Walker en Les Paul gitaar spelen. Als bluesgitarist trekt Miller naar Chicago, maar als er rond 1966 spannende dingen gebeuren in San Francisco wil Miller daarvan een graantje meepikken. Zijn Steve Miller Band blijkt zich te kunnen meten met de grote bands van de San Francisco-scene, treedt op op het Monterey Festival en sleept een langdurig contract met Capitol in de wacht. Met de blues als basis voegt Miller aan het bandgeluid rock en psychedelica toe, waardoor The Steve Miller Band over een avontuurlijke, opwindende en vernieuwende sound beschikt. Het debuut Childen Of The Future wordt in Londen opgenomen met Glyn Johns als producer, hetgeen ook gepland is voor de opvolger, maar de complete band wordt door de Britse autoriteiten het land uitgezet – Glyn Johns volgt in hun spoor. Met hem neemt The Steve Miller Band in San Francisco Sailor op, een plaat die net als het debuut in 1968 verschijnt. De bezetting van The Steve Miller Band is dan Boz Scaggs (gitaar), Tim Davis (drums), Lonnie Turner (bas) en Jim Peterson (orgel). De laatste is samen met Miller verantwoordelijk voor het atmosferische bandgeluid dat aldus gedomineerd wordt door orgel en elektrische gitaar. Maar als eerste wordt de aandacht op Sailor getrokken door de misthoorns en scheepstoeters in de baai van San Francisco die de fascinerende instrumentale opener ‘Song For Our Ancestors’ een vervreemdend effect geven. Dit wordt gevolgd door de verstilde, smartelijke ballad ‘Dear Mary’ – Steve Miller in optima forma – een kunstje dat hij herhaalt met het geestverruimende, zwevende ‘Quicksilver Girl’. ‘Gangster Of Love’ en You’re So Fine’ zijn twee in elkaar overlopende covers van bluessongs van respectievelijk Johnny Guitar Watson en Jimmy Reed, terwijl het door Jim Peterman geschreven en gezongen ‘Lucky Man’ doet denken aan pastorale soul van Traffic. De meest swingende, groovy tracks zijn ‘Dime-A-Dance Romance’ en ‘Living In The U.S.A’, die het royaal moeten afleggen tegen de pure acidrock van het bezwerende, zuigende en fantastische ‘My Friend’ – een klassieker van de San Francisco-sound. In totaal maakt The Steve Miller Band in de periode 1968-1970 een stuk of vijf uitstekende lp’s, die door Capitol niet gepromoot worden en dus matig verkopen. ‘The Joker’ verandert dit radicaal en maakt van Steve Miller een multimiljonair. Zoals gezegd, Sailor is die andere – avontuurlijke, vernieuwende, psychedelische – Steve Miller.

Song For Our Ancesters / Dear Mary / My Friend / Living In The U.S.A. / Quicksilver Girl / Lucky Man / Gangster Of Love / You’re So Fine / Dime-A-Dance Romance