zaterdag 11 januari 2014

Siouxsie And The Banshees


Susan Ballion en Steven Severin maken in 1976 deel uit van The Bromley Contigent, een schare fanatieke Sex Pistols-volgelingen. Kort daarop maken zij zich daarvan los en pogen op eigen benen te staan met hun eigen punkband: Siouxsie And The Banshees. De band van non-muzikanten buit de verwarring en chaos van de punk ten volle uit en weet de aandacht van de media op slimme wijze op zich gericht te houden. Als laatste van de grote punkbands tekent Siouxsie And The Banshees in 1978 een platencontract, bij major Polydor. Debuutalbum The Scream slaat in als een bom, opvolger Join Hands is in 1979 het spreekwoordelijke lastige tweede album.
Dan wordt de band gehalveerd en blijven alleen Siouxsie Sioux en Severin over, Bevriende gitaristen en drummer Budgie bieden de helpende hand, zodat Siouxsie And The Banshees ten tijde van het fragmentarische Kaleidoscope weer min of meer een band zijn. Fantastische singles zijn er in de vorm van 'Happy House', 'Christine' en 'Israel'. Bovendien is Siouxsie Sioux met haar tartan-look, leer- en spandex-uitdossingen en koele afstandelijkheid een stijl-icoon, en een media-manipulator bovendien. Anno 1981 is Siouxsie, zich verschuilend achter een duimendik make-upmasker in ieder geval in Engeland een popster. The Banshees zijn ook weer op volle oorlogssterkte als Magazine-gitarist John McGeoch definitief toetreedt. 'Spellbound', de eerste single, is veelbelovend en een prelude voor het vierde album dat in de zomer van 1981 verschijnt: Juju. The Banshees zijn op Juju een hecht opererend collectief dat in een productie van Nigel Gray een zwaar, hermetisch dichtgetimmerd geluid genereert van duistere bas en drums en krassende, schreeuwende gitaarlijnen. Opener 'Spellbound' kent, een single waardig, bovendien rinkelende akoestische gitaren. De volgende single van het album, 'Arabian Knights' is echter gejaagd en neurotisch en is representatiever voor de beklemmende gothische punk van The Ice Queen die op Juju zwarte magie bedrijft. Heftig en compromisloos, maar ook vakkundig gearrangeerd en gecomponeerd zijn hypnotische songs als 'Into The Light', het onheilspellende 'Voodoo Dolly' en het meeslepende albumhoogtepunt 'Night Shift': I'm out of mind with you / In heaven and hell with you...
Juju is hét hoogtepunt in Siouxsie Sioux' langdurige muzikale carrière. Hoewel A Kiss In The Dreamhouse (1982) een evenzeer intrigerend album is, wordt Juju toch algemeen beschouwd als de beste lp van The Banshees, temeer daar het heilige vuur de jaren daarop langzaam uitdooft. De band moet dan ook vooral worden vereenzelvigd met de hoogtijdagen – 1977-1982 – van de punk en de postpunk; Siouxsie And The Banshees zijn iconen daarvan.

Spellbound / Into The Light / Arabian Knights / Halloween / Monitor / Night Shift / Sin In My Heart / Head Cut / Voodoo Dolly



vrijdag 10 januari 2014

Necromandus | Quicksand Dream

Een contract met Vertigo, lovende kritieken en een debuutalbum dat geproduceerd is door Black Sabbaths Tony Iommi. De wereld ligt in 1973 open voor Necromandus, maar het zal nog 18 jaar duren voordat dit album wordt uitgebracht, en wel op een obscuur Zuid-Amerikaans label onder de titel Quicksand Dream. Hoe heeft het zover kunnen komen? In 1968 komen de bandleden bij elkaar, eerst onder de naam Hot Spring Water, dan Heavy Hand, vervolgens Taurus en dan in '72 wordt het Necromandus, bestaande uit Bill Branch (zang), Barry Dunnery (gitaar), Dennis McCarthy (bas) en Frank Hall (drums). Het kwartet verhuist van Noord Engeland naar Birmingham, raakt bevriend met Black Sabbath, komt onder de vleugels van Tony Iommi en krijgt een deal bij het uiterst prestigieuze Vertigo. In de Londense Morgan Studios wordt met producer Iommi in februari '73 Necromandus' debuutalbum opgenomen. Het album is kant en klaar – prefixnummer 6360061 en met een hoesontwerp van Roger Dean – maar een release laat op zich wachten omdat manager Iommi te druk is met Sabbath. Vertigo schuift de release verder naar achteren en laat Necromandus' debuut uiteindelijk op de plank liggen, waar het 18 jaar zal blijven liggen. 
Necromandus komt de telurstelling niet te boven; al in het najaar van '73 gaat te band ter ziele. Tot het erfgoed behoort een ijzersterke heavy rockplaat, die weliswaar doom-elementen met Black Sabbath gemeen heeft, maar over het algemeen lichter van toon is. Jazzy passages en akoestische gitaren geven de uitgesponnen songs ruimte en kleur. Het jazzy gitaarspel van Baz Dunnery is ronduit fantastisch – het meest bijzonder de lyrische solo in het uiterst fascinerende 'Gypsy Dancer'. Meer prog dan doom zijn tracks als 'A Black Solitude', 'Homicidal Psychopath', 'Still Born Beauty' en 'Orexis Of Death' van zwaarte ontdaan en inventief ingekleurd zonder aan impact te verliezen. Het debuutalbum van Necromandus is bijzonder indrukwekkend en het is eeuwig zonde dat de band geen release heeft mogen meemaken – het was anders zonder meer tot grootse dingen in staat geweest.

Mogidisimo / Nightjar / A Black Solitude / Homicidal Psychopath / Still Born Beauty / Gypsy Dancer / Orexis Of Death / Mogidisimo (reprise) 

woensdag 8 januari 2014

Tim Buckley | Goodbye And Hello


Wankel balancerend op de dunne scheidslijn tussen folkrock en jazzrock, tussen faam en falen, tussen avontuur en roekeloosheid, is Tim Buckley een tragische figuur die op veel te jonge leeftijd zijn lot bezegelde met een overdosis. In zijn te korte leven maakte hij een indrukwekkende ontwikkeling door; van traditionele folksinger tot avant-jazzmusicus – met zijn zuivere tenor en een bereik van maar liefst drie en een halve octaven als voornaamste instrument. Buckley is de singer-songwriter van de improvisatie en experimenteerdrift, maar daarvoor, voor het transitie-album Happy Sad uit 1969, is de singer-songwriter van de koffiehuizen aan het woord. Tim Buckley wordt in 1966 getekend door Elektra's Jac Holzman als hij nog deel uitmaakt van The Bohemians, een folkrockband uit Orange County, Californië. Datzelfde jaar nog komt Buckleys zelfgetitelde debuutplaat uit, een album vol plezierige folkrock.
Maar met het volgende album graaft Tim Buckley dieper en dieper. In Bohemians-drummer Larry Beckett heeft Buckley een creatieve partner gevonden die hem voor teksten voorziet, in Jerry Yester, ex-Lovin' Spoonful en ex-Modern Folk Quartet, een producer die hem de vrije hand laat in zijn improvisaties en verbeelding. Buckley speelt zelf op de 12-snarige akoestische gitaar, maar de sound wordt verrijkt door Don Randi op klavecimbel, Yester op orgel en harmonium, de gitaristen Brian Hartzier en John Forsha en vooral de jazzy gitaarimprovisaties van Lee Underwood. Deze verzorgt prachtige, vloeiende tegenmelodieën, in innige verstrengeling met Buckleys engelachtige stem, die meestal in een take op de band is vastgelegd. Buckley klinkt op Goodbye And Hello, uitgebracht in oktober 1967, dan ook betoverend en als in trance in indrukwekkende songs als 'Pleasant Street' en 'Morning Glory', Schitterend is 'Hallucianations', een folk-baroque ballad met inderdaad een hallucinerend effect; gejaagd en opgewonden 'I Never Asked To Be Your Mountain', gericht aan het adres van zijn ex-vrouw Mary Guibert en zijn nog geen jaar oude zoon Jeff. Titelnummer 'Goodbye And Hello' is een mini-opera, geëxalteerd en gedragen door blazers en strijkers. Centraal op Goodbye And Hello staat het magistrale 'Once I Was', in feite een blauwdruk van 'Dolphins' van de door Buckley bewonderde Fred Neil: Something I wonder just for awhile / Will you ever remember me. En: I find myself searching / Through the ashes of our ruins / For the days when we smiled. Maar de zoektocht is veel te snel voorbij, na negen albums – waaronder Starsailor en Greetings From L.A. – overlijdt Tim Buckley op 29 juni 1975 in zijn huis in Santa Monica, Californië, 28 jaar oud.

No Man Can Find The War / Carnival Song / Pleasant Street / Hallucinations / I Never Asked To Be Your Mountain / Once I Was / Phantasmagoria In Two / Knight-Errant / Goodbye And Hello / Morning Glory 

dinsdag 7 januari 2014

Golden Rough | Provenance

Provenance is zo’n cd waarvan je denkt, waar komt dit heerlijke plaatje nu weer vandaan? Een tamelijk onbekende band – Golden Rough – die in 2002 een prachtige popplaat aflevert. Provenance is de derde cd van deze band uit Sydney die down under een zekere populariteit kent en aldaar toerde met Elliott Smith en The Pernice Brothers. Deze namen zijn gelijk mooie ijkpunten om Golden Rough te typeren. Provenance is soepel en gepolijst, intiem en smaakvol en valt onder de categorie pure pop met een country-tik. Ook mogen The Beach Boys en The Zombies gelden als duidelijk aanwijsbare invloeden. Vooral de hese stem van zanger-componist David Orwell doet sterk herinneren aan Colin Blunstone. De nummers zijn opgetrokken uit tokkelende en tintelende gitaren en worden voorts smaakvol versierd met ouderwetse keyboards en gedoseerd blaaswerk. Ook zijn de elektrische gitaren immer aanwezig, maar ze vervullen een onnadrukkelijke rol; de lyrische solo’s lijken te zijn ingespeeld met de versterker op drie. De composities zijn ultra-melodieus en herfstig melancholiek, worden in lage versnelling neergezet en zijn opgebouwd uit vele lagen. In elk nummer gebeurt er wel iets spannends – een trieste gitaarsolo, een rollende Hammond of zijde-achtige samenzang – dat Provenance zijn meerwaarde geeft. Kortom, Golden Rough heeft met Provenance een schitterende cd afgeleverd.

People In The Street / Provenance / Seen It All Before / Trust / Lucinda / Captains Of Industry / 99% / Antarctica / Sleepwalker / Everything Falls Apart / Summer Feeling / Someone’s Else’s Home

maandag 6 januari 2014

Pavlov’s Dog | At The Sound Of The Bell

De sound van Pavlov’s Dog omschrijven als apart is een understatement. Het doet geen recht aan het bandgeluid dat werkelijk uniek genoemd kan worden: zoals Pavlov’s Dog klinkt, klinkt niets of niemand. Een mix van feeërieke folk, symfonische rock en melodieuze pop, met als slagroom op de taart het vreemde stemgeluid van David Surkamp. Hij is het die in St. Louis, Missouri in 1972 Pavlov’s Dog opricht. Het collectief bestaat dan uit zeven muzikanten en weet door de groeiende populariteit in het clubcircuit de aandacht te trekken van ABC Dunhill. Met de van Blue Öyster Cult bekende producers Sandy Pearlman en Murray Krugman neemt Pavlov’s Dog hun debuut-lp op in New York, maar nog voor dit debuut, Pampered Menial, uitkomt heeft ABC Pavlov’s Dog met CBS geruild voor Poco. Het gevolg is dat Pampered Menial door beide labels wordt gereleast, op dezelfde dag, met verschillende hoezen. De verkoopresultaten zijn desastreus, maar dat weerhoudt Surkamp en de zijnen niet van doorgaan. 
Pavlov’s Dog bestaat voor de opnamen in de New Yorkse Record Plant-studio’s van At The Sound Of The Bell naast Surkamp uit Doug Rayburn (mellotron, bas), David Hamilton (toetsen), Stephen Scorfina (sologitaar), Thomas Nickeson (akoestische gitaar, harmoniezang) en Richard Stockton (bas). En alsof dat niet genoeg is zijn de saxofonisten Michael Brecker en Andy Mackay (Roxy Music) ingehuurd, evenals Yes-drummer Bill Bruford, Steely Dan-gitarist Elliott Randall en het Mountain Fjord Orchestra De meest bizarre gasten zijn echter de jongens van het High Wycombe Boys Choir, die overigens wel ‘Valkerie en ‘Early Morning On’ naar grote hoogten stuwen. Deze vervreemdende songs worden echter in bombast overtroffen door het symfonische ‘Do You See Him Cry’. Daar tegenover staan kristalheldere songs die op sprookjesachtige wijze worden vertolkt door de vocale tovenaar Surkamp. Een tikje pompeus wellicht, en bezwangerd met de mellotron-sound, maar niettemin prachtig zijn melodramatische liedjes als ‘She Came Shining’, ‘Mersey’ en ‘Gold Nuggets’. At The Sound Of The Bell verschijnt in 1976, maar doet hoegenaamd niets in de Verenigde Staten. Pavlov’s Dog neemt nog wel een derde album op, maar CBS laat deze gewoon op de plank liggen en trekt de stekker eruit. Zonde, maar uniek blijft de sound van Pavlov’s Dog.

She Came Shining / Standing Here With You (Megan’s Song) / Mersey / Valkerie / Try To Hang On / Gold Nuggets / She Breaks Like A Morning Sky / Early Morning On / Did You See Him Cry

zaterdag 4 januari 2014

The Blue Nile | A Walk Across The Rooftops

Geen zicht op een baan, en dus verlaten Paul Buchanan (Engelse literatuur), Paul Joseph Moore (elektrotechniek) en Robert Bell (wiskunde) begin jaren tachtig de universiteit van Glasgow om met zijn drieën The Blue Nile te vormen. Met een minimaal instrumentarium en gedomineerd door synths brengen Buchanan (zang, gitaar), Moore (toetsen) en Bell (bas) in 1981 een eerste single uit op nota bene Robert Stigwoods RSO-label (The Bee Gees, Eric Clapton), Anti-sterren als ze zijn levert het niet meer dan een paar keer draaien op de radio op; The Blue Nile lijkt dan al op een dood spoor beland.
Bij toeval speelt een bevriende opname-technicus geluidsapparatuur-fabrikant Lynn een Blue Nile-tape in handen. Lynn is op zoek naar een band die een demonstratieplaat voor hun producten kan maken. En dus financiert Lynn de opnamen voor het debuutalbum van The Blue Nile, opgenomen in het rustieke Pencaitland, dicht bij Edinburgh. Niettemin is A Walk Across The Rooftops – in mei 1984 uitgebracht op Lynn Records – in het bijzonder een muzikaal portret van het industriële Glasgow; het nachtelijke Glasgow. Met een gezamenlijke speelduur van 38 minuten zijn de zeven tracks vooral impressionistische klankschilderingen van de stad bij nacht. De golvende ritmes en de syncoperende toetsen doen in de verte herinneren aan Japans Tin Drum, maar zijn vooral uniek: 'A Walk Across The Rooftops', het groovende 'Tinseltown In The Rain', het catchy-weemoedige 'Stay' en het elektronische 'From Rags To Riches' zijn ronduit imposant, want muzikaal fantasierijk en verrassend: gitaaraanslagen die oplossen in het niets, ijle toetsenvegen, de schitterend smachtende stem van Paul Buchanan en de schrijnende stiltes. En meer nog, in emotionele achtbanen als 'Easter Parade', 'Heatwave' en 'Automobile Noise' is de sfeer beeldend en evocatief:de stank van de metro, autogeluiden in de nacht, neon-weerspiegelingen in een plas.
A Walk Across The Rooftops is zo'n album dat raakt en verwondt; onmogelijk onberoerd laat. The Blue Nile – anti-sterren – beseffen in 1984 niet dat ze met A Walk Across The Rooftops een van de beste Britse albums van de jaren tachtig hebben afgeleverd. Wij aanvankelijk ook niet.

A Walk Across The Rooftops / Tinseltown In The Rain / From Rags To Riches / Stay / Easter Parade / Heatwave / Automobile Noise


donderdag 2 januari 2014

Nina Hagen Band | Nina Hagen Band

Geschoold voor aria's en gezegend met onbegrensde vocale mogelijkheden, Catharine Hagen uit Oost-Berlijn is een enorm talent. Op negenjarige leeftijd viert ze al triomfen in het Bertold Brecht-theater, later krijgt ze op marxistisch-leninistische leest geschoeid onderricht in klassieke en populaire zang, dans- en pianospel. Nina Hagen heeft op zeventienjarige leeftijd alle vaardigheden van een allround entertainer en groeit nota bene uit tot een gevierd schlager-zangeres. In 1976 neemt haar stiefvader – de zanger en anti-communist Rolf Biermann – Nina mee naar het vrije westen. 
Na een periode van indrukken in Londen keert ze terug naar West-Berlijn en richt daar de Nina Hagen Band op en gaat net als in haar DDR-periode een contract aan met CBS. La Hagen is dan 23 jaar en de baas over haar band, die bestaat uit ervaren rockmuzikanten, met daaraan toegevoegd de gewiekste manager en fotograaf Jim Rakete. De brutale, bloedmooie, ravenzwarte Hagen weet haar band van traditionele rockers te bekeren tot het punkgeloof. Het is die mix van classic rock en punk die de sfeer bepaalt op haar in de befaamde Hansa Studio's opgenomen zelfgetitelde debuutplaat. Einen recht schönen Güten Abend meine Damen und Herren, zo begint de plaat die daarna losbarst in 'TV-Glotzer', een cover van The Tubes' 'White Punks On Dope' en in Hagens versie een vergelijking tussen de zwartwit-tv's van Oost-Berlijn en de zuurstokkleuren van de Wet-Berlijnse beeldschermen. Nina Hagen is niet alleen de clowneske, grimassende, kribbige performer, maar ook een confronterende tekstschrijver. 'Unbeschreiblich Weiblich' is in dat verband een sterk feministisch getinte song: Warum soll ich meine Pflicht als Frau erfüln? / Für wen? Für die? Für dich? Für mich? / Ich hab keine Lust meine Pflicht zu erfulln! / Für dich nicht, für mich nicht, ich hab keine Pflicht! Uitgevoerd in punky rock is 'Unbeschreiblich Weiblich' Hagens eerste westerse hit – in Nederland overigens niet verder dan de tipparade. 'Auf'm Bahnhoff Zoo' is funky en gedreven, 'Pank' – Ich bin nicht deine Fickmaschine – is pure punk, 'Der Spinner' onheilszwanger en 'Auf'm Friedhof' theatraal en symfonisch. Hagens grootste talenten – een bereik van vele octaven en een indrukwekkend vibrato – komen vooral tot zijn recht in het even schitterende als beklemmende 'Naturträne'; een ware klassieker. 
Frau Hagen wordt in Nederland na het verschijnen van Nina Hagen Band met open armen ontvangen, in het bijzonder door de Herman Brood-entourage. Nina Hagen raakt echter volkomen stuurloos en is alhier een dankbaar onderwerp voor de boulevardpers. Ze breekt met platenmaatschappij en begeleidingsband – die verder door het leven gaat als Spliff – en gaat in feite ten onder aan drugs, foute vrienden en totale verwarring. Het mag dan ook een klein wonder heten dat mevrouw Hagen met haar debuut een consistent, actueel – tussen rock en punk – en uniek Duitstalig album heeft afgeleverd.

TV-Glotzer (White Punks On Dope) / Rangehn / Unbeschreiblich Weiblich / Auf'm Bahnhof Zoo / Naturträne / Superboy / Heiss / Fisch Im Wasser / Auf'm Friedhof / Der Spinner / Pank