In
het begin van de jaren zeventig is Jackie Leven, alias John St.
Field, een rusteloze troubadour met een woeste levensstijl. Dit wordt
nog eens versterkt wanneer Leven in 1977 een Londense flat deelt met
zijn muzikale trawanten Jo Shaw (gitaar, zang), David McIntosh
(drums, zang) en Robin Spreafico (bas, zang), en leeft op een dieet
van rockmuziek, LSD en cider. Datzelfde jaar, Leven is dan al 27
jaar, richten de vier – met de pubrock op het sterfbed en de punk
in de embryonale fase – een band op, die gelijk al indruk maakt met
zijn duistere psychedelische rock. Razendsnel heeft Doll By Doll,
vernoemd naar een gedicht van e.e. cummings, in het Londense
clubcircuit de reputatie van een agressieve, intimiderende rockband,
aangevoerd door een maniakale zanger. De dubbelloops gitaren, de
heavy ritmesectie en Levens teksten over vagevuur, seks en geweld
onderscheiden zich duidelijk van de doorsnee punkband, reden waarom
Warner-offshoot
Automatic de
Doll By Doll-sound laat vastleggen door Sex Pistols-producer Bill
Price in de Wessex Studios. De weerslag hiervan is Remember,
uitgebracht in het voorjaar van 1979, een harde rockplaat die
gedomineerd wordt door Levens stentorstem en diens sardonische
teksten, en de acid-rockgitaren die de San Francisco-psychedelica van
Moby Grape in herinnering roepen. Omgeven door oorverdovende
gitaarfeedback en wonderlijk fraaie harmoniezang zijn rocksongs als
‘The Palace Of Love’, ‘More Than Human’ en ‘Butcher Boy’
onkarakteristiek voor het punktijdperk – maar des te typerender
voor de gepassioneerde en enigmatische Doll By Doll-sound. Remember,
met op de hoes de Franse surrealist Antonin Artaud, is in 1979 een
anachronistische, maar schitterende gitaarrockplaat.
vrijdag 28 februari 2014
Doll By Doll | Remember
donderdag 27 februari 2014
Galaxie 500 | Today
Galaxie
500 maakte geenszins deel uit van een scene. Het trio – Dean
Wareham, Naomi Young en Damon Krukowski – maakte vanaf de start
eigengereide moodmusic, wars van heersende trends. En die
heersende trends wáren er in het Boston van de eind jaren
tachtig van de vorige eeuw: de noiserock van Dinosaur Jr, Lemonheads
en Bullet Lavolta domineerde namelijk de scene. Het leverde een
reactie op van een nieuwe lichting bands die subtieler te werk
gingen. Een van die subtiele én talentvolle bands was Galaxie
500. Het drietal Wareham, Young en Krukowski ontmoette elkaar op de
middelbare school in New York, maar pas toen zij alledrie in Boston
afstudeerden, formeerden ze een band. Door de toetreding van bassiste
Naomi Young werd Speedy & The Castanets omgedoopt tot Galaxie 500
en al snel scoorde de jonge band een platencontract. Een kennis van
de bandleden, Mark Alghini, had net daarvoor platenlabel Aurora
Records opgericht en dus debuteerde Galaxie 500 op zijn label. De
band had als producer Kramer op het oog, vanwege zijn reputatie als
alternatief producer – geliefd bij de noisebands en tevens
voormalig bassist in Eugene Chadbourne’s Shockabilly. En dus keerde
het trio terug naar New York, naar Kramers Noise New York studio’s.
Het
was een korte trip; in drie dagen tijd nam Galaxie 500 met Kramer
twaalf nummers op. De eerste release op Aurora Records was de single
‘Tugboat’/’King Of Spain’, direct daarop gevolgd door het
negen songs tellende debuutalbum.
Aan
het eind van 1988 verschijnt Today, verpakt in een
sepiakleurige hoes die onschuld en melancholie verraadt. Bovendien
verwijst de titel Today, aldus Dean Wareham, naar de klank van
het verleden; naar het muzikale primitivisme van de jaren zestig
Hoes en titel vormen tezamen een toepasselijke afspiegeling van de
inhoud, die aldus van een fragiele pracht is. Dit kenmerkt zich
vooral door de trage ritmes en de kwetsbare en soms zelfs wankele
stem van Dean Wareham. De akkoordenwisselingen voltrekken zich
vloeiend en onnadrukkelijk, maar hebben toch een opmerkelijke
precisie. Bovenop deze relatieve eenvoud van bas, drums en stem is
het de elektrische gitaar van Wareham die de muziek een extra
dimensie verschaft en Galaxie 500 uittilt boven het gewone. Het
openingsnummer ‘Flowers’ is koud onderweg of Wareham lanceert
zijn eerste, bijna vloeibare solo. Hiermee wordt de toon gezet van
een ingetogen en subtiele gitaarplaat die knipoogt naar het verleden.
Een verleden dat herkenbaar is in de verwijzingen naar The Velvet
Underground, The Feelies, Television en The Modern Lovers. Deze
laatste is zelfs rechtstreeks geëerd in de vorm van een fraaie
cover van Jonathan Richmans ‘Don’t Let Our Youth Go To Waste’.
Op een aantal nummers – ‘Parking Lot’ en ‘It’s Getting Late
– verschuift de dynamiek bijna ongemerkt van zacht naar
fluisterhard om dan uit te monden in een opzwepend ritme met uiterst
subtiele akkoordenwisselingen. Hier verraadt Galaxie 500
overduidelijk zijn Velvet Underground-invloeden, hetgeen Dean Wareham
beaamt omdat hij VU’s 1969 – de live dubbelaar met de
‘billenhoes’ – tot zijn favorieten rekent. Waar de songs in een
traag ritme blijven steken – en die aanvoelen als een warme bries –
is het Warehams gitaar die het nummer naar een hemels einde brengt.
Dat geldt in overtreffende trap voor de meesterlijke afsluiter
‘Tugboat’, wanneer het harmonieuze en vloeiendzachte intro
explodeert in licht en geluid als Wareham een lyrische gitaarsolo het
luchtruim instuurt. Het is een passend slot van een magnifieke
debuut-lp, die de onschuld, eerlijkheid en melancholie van de Galaxie
500-leden uitstekend verbeeldt. Today is daarom een verrassend
en eigenwijs album, en behoort zonder meer tot dé hoogtepunten
van het lauwe muziekjaar 1988.
Na
Today tekende Galaxie 500 bij het Britse Rough Trade en bouwde
met On Fire en This Is Our Music – beide fraaie
albums – voort op de ingetogen en melancholieke sound. In 1990
scheidden zich de wegen van enerzijds Dean Wareham en anderzijds
Damon Krukowski en Naomi Young. De laatste twee gingen als duo verder
als Pierre Étoile en veranderden later hun naam in het
eenduidige Damon & Naomi. Dean Wareham richtte met
Feelies-drummer Stan Demeski Luna op, en perfectioneerde de unieke
gitaarsound van Galaxie 500; zíjn unieke gitaarsound.
Flowers
/ Pictures / Parking Lot / Don’t Let Our Youth Go To Waste /
Temperature’s Rising / Oblivious / It’s Getting Late /
Instrumental / Tugboat
maandag 24 februari 2014
Jim Sullivan | U.F.O.
Jim
Sullivan speelde nooit voor een publiek van meer dan zo'n vijftig
man, maakte twee lp's die nagenoeg niemand wilde hebben en verdween
in 1975 spoorloos van de aardbodem. Dat is voer voor een
culthelden-status en die status verkrijgt de singer-songwriter uit
San Diego, Californië dan ook, en dat is op grond van diens
debuutplaat U.F.O.
beslist
terecht.
Getrouwd en verhuisd naar noord Los Angeles in 1968 is Jim Sullivan
vaste gast in de koffiehuizen aan het strand van Malibu, Avond aan
avond speelt hij voor een handjevol vaste klanten in The Raft, maar
er is nauwelijks interesse voor de stemmige liedjes gezongen met een
imponerende bariton. Vrienden van Sullivan krijgen toch geld bij
elkaar om hem in een studio te laten opnemen met een strijkkwartet en
de fameuze Wrecking Crew. Hoewel fysiek een robuuste verschijning is
Jim Sullivan op U.F.O.
vooral
een gevoelige, hartveroverende singer-songwriter die op dit geweldige
album enorm veel baat heeft bij de warme sound van gitaar, bas, drums
en de prachtige gearrangeerde strijkers. Tussen illustere helden als
Fred Neil, Tim Hardin, Hoyt Axton en Joe South bevindt zich ook Jim
Sullivan, want oorstrelende countryfolk-liedjes als 'Jerome', 'Plain
As Your Eyes Can See', 'Whistle Stop', 'Rosey', 'Hghways' en 'U.F.O.'
en 'So Natural' maken van U.F.O.
een ronduit schitterend album. In 1969 vindt niemand dat, wat ook
geldt voor de eponieme opvolger op Hugh Heffners Playboy-label in
1972.
Jim
Sullivans carrière loopt op niets uit en dat beseft hij zelf
ook. Op 5 maart 1975 vertrekt hij in zijn Volkswagen naar Nashville,
Tennessee om daar wat geld te verdienen, maar hij komt op de
Interstate 40 tot Santa Rosa, New Mexico en niet verder. Daar haalt
de Highway Patrol hem van de weg wegens slingerend rijgedrag.
Sullivan koopt een fles vodka en checkt in in het La Mesa Motel. De
volgende dag wordt zijn VW gevonden in de woestijn met daarin zijn
gitaar en portemonnee. Jim Sullivan is voor altijd verdwenen;
weggevaagd van de snelweg. Een reden temeer om het schitterende
U.F.O.
te
koesteren en vooral deze woorden te absorberen: There's
a highway / Telling me to go where I can / Such a long way / I don't
know where I am. En
daar, op de highway, is het voor Jim Sullivan op welke manier dan ook
geëindigd.
Jerome
/ Plain As Your Eyes Can See / Roll Back The Time / WhistleStop /
Rosey / Highways / U.F.O. / So Natural / Johnny / Sandman
zaterdag 22 februari 2014
Home | Pause For A Hoarse Horse
Al
als de band net geformeerd is, het is 1970, krijgt Home een contract
aangeboden van CBS. Het viertal heeft in zijn midden Laurie
Wisefield, wiens vloeiende en natuurlijke gitaarsound een belangrijke
stempel op het bandgeluid zet. Home bezit een aardse sound die het
midden houdt tussen Wishbone Ash en Badfinger. Op het debuut Pause
For A Hoarse Horse klinkt
Home zelfverzekerd door de bluesy zang en de competente ritmesectie,
maar vooral door het lyrische gitaarspel van Wisefield, zoals
geëtaleerd in ‘Red E. Lewis & The Red Caps’ en ‘Moses’.
Melodie en harmonie overheersen de songs van het in denim gehulde
viertal op dit debuutalbum, dat de typische Britse countrified
rock van de
jaren zeventig in een gloedvol licht zet. Na de gelijkwaardige
opvolger volgt er in 1973 een hooggewaardeerd progressive
conceptalbum, maar als Laurie Wisefield in 1974 naar Wishbone Ash
promoveert is Home voorgoed geschiedenis.
woensdag 19 februari 2014
Rufus Wainwright | Poses
Zonder
twijfel is de Canadees-Amerikaanse Rufus Wainwright een bijzonder
groot muzikaal talent. Geboren in New York als gevolg van een
kortstondig huwelijk tussen de Canadese folkzangeres Kate McGarrigle
en singer-songwriter Loudon Wainwright III, en opgegroeid in
Montreal, Canada is Rufus al op jonge leeftijd een geboren muzikant,
maar ook een nukkige, arrogante jongen die zich op 14-jarige leeftijd
realiseert dat hij gay is. Van Dyke Parks – vriend van de familie –
seint platenbaas Lenny Waronker in en deze haalt Rufus naar
Californië, om hem onder contract te nemen bij Steven Spielbergs
Dreamworks-label. In 1998 debuteert Rufus Wainwright met een
zelfgetiteld album dat bol staat van rijk geornamenteerde Westcoast
singer-songwriters pop in de traditie van Randy Newman, Harry Nilsson
en Van Dyke Parks. De liedjes blinken uit, maar de arrangementen zijn
nogal barok – en toch is Rufus
Wainwright een
essentieel en grandioos debuut.
Rufus
zelf ondertussen worstelt met zijn identiteit; verliest zich in het
nachtleven van New York, dompelt zich onder in one
night stands en
raakt verslaafd aan crystal meth. Te midden van deze excessen – en
de daarop volgende rehab – neemt Rufus Wainwright zijn tweede
album op: Poses,
dat verklaarbaar slordiger en morsiger klinkt dan het debuut. Violen,
cello's en Wainwrights piano domineren het klankbeeld, drums en
elektrische gitaar worden spaarzaam ingezet. In dit theatrale decor
schitteren Rufus Wainwrights zwierige, groteske en complexe
zangharmonieën in de merendeels decadente popsongs. 'Cigarettes
And Chocolate Milk' is een fantastische opener; 'Greek Song' doet qua
meerstemmige zang zowel denken aan The Beach Boys als aan Elliott
Smith. Wainwright bezwijkt bijna in topzware romantische torchsongs
als 'Poses', 'Evil Angel' en 'The Consort' – maar triomfeert. 'One
Man Guy' is een fraaie cover van zijn vaders compositie, maar het
albumhoogtepunt –
naar het voorbeeld van Todd Rundgren in de vroege jaren zeventig –
is het hemelse 'Grey Gardens'; een moderne klassieker. Die erkenning
komt er natuurlijk niet zomaar, evenmin als het besef dat Poses
–
beslist geen gemakkelijke plaat – een potentieel popmeesterwerk is.
Hoe dan ook, het talent van Rufus Wainwright komt in de jaren daarna
volop in de etalage. Want
One en
Want
Two
zijn opvallende albums, de fantastische single 'Going To A Town' is
in 2007 een internationale hit en Rufus
Does Judy At Carnegy Hall een
gedurfd eerbetoon aan Judy Garland.
Rufus
Wainright is kortom een popmuzikant met statuur.
Cigarettes And Chocolate Milk / Greek Song / Poses / Shadows / California / The Tower Of Learning / Grey Gardens / Rebel Prince / The Consort / One Man Guy / Evil Angel / In A Graveyard / Cigarettes And Chocolate Milk (Reprise)
dinsdag 18 februari 2014
Vic Chesnutt | Ghetto Bells
Sweet
Relief II: Gravity Of The Situation
betekent in 1996 Vic Chesnutts bescheiden doorbraak. Bijzonder
daaraan is wel dat Chesnutt zelf op dat album niet te beluisteren is,
want een tribute-plaat waarop groten als R.E.M. en Madonna diens
liedjes vertolken, met de bedoeling de lamentabele Chesnutt
financieel te ondersteunen. Vic Chesnutt, opgegroeid in Zebulon,
Georgia, is namelijk veroordeeld tot een rolstoel omdat hij op zijn
18e verlamd raakte door een ernstig auto-ongeluk.
Tot
'96 kenden weinigen de wanhopige lo-fi liedjes die op de albums
Little
(1990),
West Of Rome
(1992)
en Is
The Actor Happy? (1995)
te vinden zijn, maar na het tribute-album komt daar verandering in.
Een samenwerking met Lambchop en een groeiende belangstelling in 's
mans prachtig wrange liedjes leiden in 2005 tot Chesnutts grandioze
meesterstuk: Ghetto
Bells.
De songsmid kreeg hiervoor, naast vaste krachten echtgenote Tina op
bas en nichtje Liz als zangeres, de hulp van muzikaal genie Van Dyke
Parks, jazzgitarist Bill Frisell en sessiedrummer Don Heffington.
Deze droombezetting zorgt voor een overweldigend geluidsdecor waarin
barokke arrangementen – in de vorm van stemmige strijkers –
zoemende orgels en psychedelische gitaarpartijen versmelten met
Chesnutts aangrijpende, droeve stem en diens slimme woordspel. Opeens
is Vic Chesnutt niet meer de minimale lo-fi singer-songwriter, maar
een vertolker van transcendentale, etherische – ja – grandeur.
Genre-overstijgend, maar altijd bezwangerd met een southern gothic
broei, zijn het merendeel van de meeslepende songs: 'Virginia', 'What
Do You Mean', 'Got To Me', 'Forthright', 'Vesuvius', 'Rambunctious
Cloud' en het gevoelige sluitstuk 'Gnarls'. Zonder twijfel is Ghetto
Bells niet
alleen Chesnutts allerbeste plaat, maar ook objectief bezien een
klinkklaar meesterwerk.
Ghetto
Bells bezorgt
Chesnutt alom erkenning, maar het blijkt onmogelijk dit te
overtreffen. Ook trekt het leven zwaar aan de gehandicapte
singer-songwriter. Het is ondanks diens relatieve succes niet vol te
houden. Op eerste kerstdag van 2009 overlijdt Vic Chesnutt in het
ziekenhuis van Athens, Georgia aan de gevolgen van een overdosis
spierverslappers. Fate
has been so good to me / You may not understand how I can be thankful
to be where I am, zingt
Vic Chesnutt in 'Ignorant People', begeleid door een treurige
accordeon.
donderdag 13 februari 2014
T.Rex | Electric Warrior
Begin
1970 is Tyrannosaurus Rex nog een duo bestaande uit zanger/gitarist
Marc Bolan en congaspeler Micky Finn. Een akoestisch hippie-duo dat
zich laat inspireren door trollen, elfjes en Tolkien, maar dan
voltrekt zich een opzienbarende transformatie: in no time is Marc
Bolan de superster van Engeland. Het begint als Bolan de bandnaam
inkort tot T. Rex, zijn akoestische gitaar verruilt voor een Gibson
Les Paul en met behulp van producer Tony Visconti's trukendoos een
geknepen gitaarsound ontdekt, voor het eerst te horen op de single
'Ride A White Swan'. Het wordt een grote Britse hit, die van Bolan –
talentvol, charismatisch en arrogant – een aanstormend tieneridool
maakt, helemaal als de volgende T.Rex-single 'Hot Love' wordt
gelanceerd en Bolan en Finn voor een televisie-optreden make-up
opsmeren. Het is dan maart 1971 en na Beatlemania
dient zich een nieuw fenomeen aan: T.Rextasy.
T.Rex heeft een uitgekiende, door Visconti ontworpen sound, akoestisch en elektrisch, gebaseerd op rock-'n'-roll, elektrische blues, bubblegum en zelfs doo-wop; gespeeld en gezongen door een hanige knul met good looks en make-up. Bolan is een kosmische popster, hetgeen hij bewijst met de nieuwe sexy single 'Get It On'. Ondertussen hebben Bolan en Visconti tijdens hun Amerikaanse toernee in New York en Los Angeles de opnamen voltooid van een album waarvan de helft al in de Londense Trident-studio is opgenomen met de nieuwe, dynamische ritmesectie – drummer Bill Legend en bassist Steve Currie – de dreinerige achtergrondzang van het Westcoast hippie-duo Flo & Eddie, de honkende sax van Ian MacDonald (King Crimson), en een overvloed aan kitscherige strijkers. Electric Warrior, gestoken in een Hipgnosis-hoes, verschijnt in het najaar van 1971, als de Bolan-gekte op zijn hoogtepunt is. Met het album bereikt T.Rex dan ook zijn zenith, want Electric Warrior is een super opwindend popalbum dat volledig recht doet aan Bolans superster-reputatie en geheel opgetrokken lijkt uit potentiële singles. Catchy popliedjes die zich bewegen tussen dromerig en sensueel zoals in 'Monolith', spookachtig in het fantastische 'Cosmic Dancer' en verder vooral wellustig, opwindend en swingend zijn, getuige de trits 'Mambo Sun', 'The Motivator', 'Life's A Gas' en de hitsingles 'Jeepster' en 'Get It On' – voor de Amerikaanse markt omgedoopt tot 'Bang A Gong'. Marc Bolan blijft nog wel hits scoren – niet in Nederland trouwens; alleen 'Get It On' en 'Jeepster' halen de Top 20 – maar het wordt allengs minder, en de concurrentie met Ziggy Stardust groter.
Bolan wordt slordig en zelfgenoegzaam en gaat zich te buiten aan sterkedrank, Dom Perignon en cocaïne. Geen van Bolans albums kunnen tippen aan het glamrock-manifest Electric Warrior, dat verscheen op het hoogtepunt van T.Rextasy. Het trieste dieptepunt wordt bereikt op 16 september 1977 als Marc Bolan als passagier van een Mini-Cooper tegen een Londense boom rijdt. Marc Bolan, geboren Marc Feldt, wordt 29 jaar oud.
T.Rex heeft een uitgekiende, door Visconti ontworpen sound, akoestisch en elektrisch, gebaseerd op rock-'n'-roll, elektrische blues, bubblegum en zelfs doo-wop; gespeeld en gezongen door een hanige knul met good looks en make-up. Bolan is een kosmische popster, hetgeen hij bewijst met de nieuwe sexy single 'Get It On'. Ondertussen hebben Bolan en Visconti tijdens hun Amerikaanse toernee in New York en Los Angeles de opnamen voltooid van een album waarvan de helft al in de Londense Trident-studio is opgenomen met de nieuwe, dynamische ritmesectie – drummer Bill Legend en bassist Steve Currie – de dreinerige achtergrondzang van het Westcoast hippie-duo Flo & Eddie, de honkende sax van Ian MacDonald (King Crimson), en een overvloed aan kitscherige strijkers. Electric Warrior, gestoken in een Hipgnosis-hoes, verschijnt in het najaar van 1971, als de Bolan-gekte op zijn hoogtepunt is. Met het album bereikt T.Rex dan ook zijn zenith, want Electric Warrior is een super opwindend popalbum dat volledig recht doet aan Bolans superster-reputatie en geheel opgetrokken lijkt uit potentiële singles. Catchy popliedjes die zich bewegen tussen dromerig en sensueel zoals in 'Monolith', spookachtig in het fantastische 'Cosmic Dancer' en verder vooral wellustig, opwindend en swingend zijn, getuige de trits 'Mambo Sun', 'The Motivator', 'Life's A Gas' en de hitsingles 'Jeepster' en 'Get It On' – voor de Amerikaanse markt omgedoopt tot 'Bang A Gong'. Marc Bolan blijft nog wel hits scoren – niet in Nederland trouwens; alleen 'Get It On' en 'Jeepster' halen de Top 20 – maar het wordt allengs minder, en de concurrentie met Ziggy Stardust groter.
Bolan wordt slordig en zelfgenoegzaam en gaat zich te buiten aan sterkedrank, Dom Perignon en cocaïne. Geen van Bolans albums kunnen tippen aan het glamrock-manifest Electric Warrior, dat verscheen op het hoogtepunt van T.Rextasy. Het trieste dieptepunt wordt bereikt op 16 september 1977 als Marc Bolan als passagier van een Mini-Cooper tegen een Londense boom rijdt. Marc Bolan, geboren Marc Feldt, wordt 29 jaar oud.
Mambo
Sun / Cosmic Dancer / Jeepster / Monolith / Lean Woman Blues / Get It
On / Planet Queen / Girl / The Motivator / Life's A Gas / Rip Off
Abonneren op:
Posts (Atom)







