dinsdag 18 juli 2023

Little Big Horn | Little Big Horn

Weer zo’n onbekend gebleven Britse band, van wie hun album niet in het thuisland werd uitbracht, maar – in dit geval – in Duitsland. Little Big Horn brak dan ook nergens door, en eerder was dat onder de naam Wild Silk ook al niet gelukt. Onder de vleugels van de Amerikaanse producer Shel Talmy – succesvol al met The Who en The Kinks – komen er, onsuccesvolle, singles uit in Amerika. Als de jaren zestig overgaan in de jaren zeventig verruilt Wild Slik niet alleen hun pop- en soulmuziek voor een meer Westcoast-georiënteerde sound, maar krijgen ook een verplichte naamswijziging opgelegd: Little Big Horn – een duidelijke verwijzing naar Amerika. 

De diverse opnamen in de studio, steevast vergezeld van valse managementbeloften, leidt in 1970 tot de eerste – controversiële – single, in Engeland uitgebracht op Polydor Records, in Amerika op Fantasy Records: ‘Another Man’s Song’, met de tekst His name was Jesus Christ / That probably rings a bell / He said: All good people will go to heaven / And the others will go to hell. Het is, o wonder, geen succes en het beloofde en reeds opgenomen album wordt op de lange baan geschoven. En dan doen frustraties en muzikale meningsverschillen Little Big Horn al eind 1970 uiteenvallen.

Dan brengt het Talmy-consortium de Little Big Horn-plaat onder bij het Duitse Bellaphon-label, dat in 1971 het album Little Big Horn uitbrengt – en wat de bandleden dus zo’n kleine veertig jaar niet hebben geweten.

De opener is een cover van The Lovin’ Spoonful, het lekker à la Moby Grapes ‘Hey Grandma’ rockende ‘Good Time Music’ en dan volgen er fraaie songs geïnspireerd door inderdaad Moby Grape, maar ook door The Byrds ,The Band en Britten als Badfinger en The Marmalade. Little Big Horn wisselt meer Amerikaanse countrified songs als ‘Getting It Together’, ‘I Wish I Had the Words’ en ‘Isn’t It Strange’ af met die van de Engelse variant: ‘Something Good’ en ‘Ain’t No Harm’, maar over het geheel gezien: altijd scherpe gitaren, een warme elektrische piano en geweldige samenzang. Het resultaat is een sterk begin-jaren-70-album dat keihard door de scheuren van de tijd is gevallen: wie kent nu Little Big Horn?


Little Big Horn. Bellaphon, 1971. ‘Good Time Music’ | ‘Getting It Together’ | ‘I Wish I Had the Words’ | ‘Anything That Turns You On’ | ‘Right Road’ | ‘Name of the Game’ | ‘Something Good’ | ‘Ain’t No Harm’ | ‘Isn’t It Strange’ | ‘Just Ain’t Fair’ | ‘Another Man’s Song’ 


Gepubliceerd in Platenblad nr. 276


woensdag 14 juni 2023

Uni Boys - Do It All Next Week

De Uni Boys ogen als lekker verveelde punky boys. Puberale jongetjes uit de lamlendige suburbs, die het bij hun gescheiden ouders niet kunnen vinden en misschien wel daarom een bandje beginnen: it’s a teenage wasteland. Onze jeugdige vrienden van de Uni Boys starten onder deze omstandigheden dus in Aliso Viejo, Californië hun band – en komen onder contract bij het Curation Records-label van Brent Rademaker, bekend van The Beachwood Sparks. 
De Uni Boys passen perfect op dit retro-poplabel, want hun muziek is dat van onvervalste seventies powerpop: The Cars, The Romantics, The Knack, 20/20. Maar ook: The New York Dolls, Milk ’N’ Cookies en de Ramones. En dus handelen de liedjes op hun debuutplaat Do It All Next Week over coolness, highschool-verliefdheden, pretty girls, ultieme verveling en drank en drugs. Ultieme teenage-bezigheden dus: de meisjes zijn vooral druk met de jongens (denken zij), zoals in de catchy opener ‘You Worry About Me’ De Uni Boys borduren daar op energieke en tegelijk naïeve wijze op voort in aanstekelijke liedjes als ‘On Your Lovin’ Mind’, ‘Long Time No See’, ‘One More Night’, het maar liefst met een soort van gitaarsolo versierde ‘Hypocrite’ en het stroperige maar fijne ‘Caroline Kills’. Een poging tot heavy rock – zoals de Ramones dat ook steevast probeerden – met ‘You in My Heart’ en ‘I Wanna Rock You’ slaagt op alle fronten: heerlijke bubblegum heavy powerpop. 

Met de Uni Boys is de jaren zeventig powerpop helemaal terug. Schitterende hoes overigens ook: verveelde pubers in spijkerjasjes, fel belicht. We spijkeren de hoes aan de muur.

Als je hield van singles als ‘My Sharona’, ‘Rock ’n’ Roll High School’, ‘My Best Friend’s Girl’, ‘What I Like About You’ of ‘Back of My Hand’, dan is Do It All Week zo’n beetje veertig jaar later het album waar je naar uitkeek. Do It All Week is dan jouw album.


Do It All Week. Curation Records, 2022. ‘You Worry About Me’ | ‘Downtown’ | ‘On Your Lovin’ Mind’ | ‘Long Time No See’ | ‘One More Night’ | ‘Take A Look Around’ | ‘Hypocrite’ | ‘Up To You’ | ‘Caroline Kills’ | ‘You in My Heart’ | ‘I Wanna Rock You’ | ‘Daily Dose’


zondag 11 juni 2023

Butch Walker | As... Glenn


Maar liefst twintig jaar na zijn debuutplaat raakt Butch Walker de jackpot midscheeps met het geweldige, knipogende, stevig naar de seventies hengelende As… Glenn. Bradley Glenn ‘Butch’ Walker komt oorspronkelijk uit Georgia en met Marvelous 3, geformeerd in Atlanta, timmert hij vanaf 1997 stevig aan de weg. Walker en zijn muzikale vrinden zijn dan allang neergestreken in Los Angeles, Californië en het is vanuit daar dat Butch Walker zijn solocarrière start. En die is gebaseerd op melodieuze maar tegelijkertijd stevige powerpop. Daarin brengt Walker nu verandering aan door toevoeging van een seventies retrosound: zwierig pianospel, ouderwetse gitaarsolo’s, achtergrondkoortjes en een hoog radio-gehalte. As… Glenn., Walkers tiende studio-album, is zijn beste. 
Walker neemt op As… Glenn een alter ego aan: Glenn, een cowboy in een glitterpak en oogmake-up die optreedt in een soort van nachtclub, de State Line Lounge. De plaat opent dan ook met geroezemoes: ‘The Band Takes the Stage’. Daarna volgt gelijk al een hoogtepunt: ‘Leather Weather (Mr. and Mrs. Understanding)’, waarbij Walkers band (Aaron Embry op piano, orgel en synthesizers; Whynot Jansveld op bas; en Mark Stepro op drums) versterking krijgt van de harmoniezang van The Watsons Twins en een gitaarsolo van Sadler Vaden. In het volgende nummer, ‘Roll Away (Like A Stone)’ is het wat dat betreft de beurt respectievelijk aan singer-songwriter Elizabeth Cook en Aaron Lee Tasjan met prachtig ouderwets gitaarwerk. Vervolgens rijgen de fraaie, rijk verzorgde liedjes zich aaneen: ‘Avalanche’, ‘State-Line Fireworks’ en ‘Slow Leak’. Dat gaat op kant 2 door met ‘Tell Me I’m Pretty (Bethamphetamine Pt 2)’, dat een openingsriff heeft gelijkend op The Who’s ‘Won’t Get Fooled Again’. Verder horen we invloeden terug van The Eagles, Andrew Gold, Todd Rundgren en Jackson Browne, de laatste expliciet in de fantastische Westcoast-ballad ‘Don’t Let It Weigh Heavy on Your Heart’ – compleet met een direct tot David Lindley (R.I.P. 2023) te herleiden gitaarsolo. Schitterend, evenzeer als de ballads ‘Holy Water Hangover’ en ‘Lean on To Me’. 

Glenn and friends hebben in die fictieve State-Line Lounge een soort van monumentje opgericht voor de seventies SoCal popmuziek. As… Glenn is zowel een eerbetoon daaraan als een ja, een monument voor zichzelf: Butch Walkers meesterwerk?


As… Glenn. Ruby Red Records, 2022. ’The Band Takes the Stage’ | ‘Leather Weather (Mr. and Mrs. Understanding)’ | ‘Roll Away (Like A Stone)’ | ‘Avalanche’ | ‘State-Line Fireworks’ | ‘Slow Leak’ | ‘Bar Fight’ | ‘Tell Me I’m Pretty (Bethamphetamine Pt 2)’ | ‘Holy Water hangover’ | ‘Don’t Let It Weigh Heavy on Your Heart’ | ‘The Negotiator’ | ‘The Band Plays An Encore’ | ‘Lean Into Me’


The Lemon Twigs (2023)

Met The Lemon Twigs betreden we onmiskenbaar het rijk van de jaren zeventig popmuziek. Dat van Elton John, The Bee Gees, Todd Rundgren en Hall & Oates. Of dat van de hemelse beatleske pop van Ronnie D’Addario. En dat is niet zo gek, want The Lemon Twigs zijn de broertjes Brian en Michael D’Addario, afkomstig van Long Island, New York, die dus nadrukkelijk in de voetsporen treden van hun vader. Popmuziek is de broers met de paplepel ingegoten en dat vindt zijn voorlopige hoogtepunt in Everything Harmony, in 2023 alweer de vierde plaat van de youngsters, die hun debuut op hun zeventiende, respectievelijk negentiende uitbrachten. En alles doen ze zelf: componeren, zingen, gitaar, toetsen, bas en drums. Met alles dat, is Everything Harmony dus rijkelijk gevuld. 
Begiftigd met fraaie falsetstemmen zingen de broertje de sterren van de hemel in liedjes als ‘In My Head’, ‘Corner of My Eye’, ‘Any Time of Day’ en ‘Ghost Run Free’. Nog fijner wordt het als zij daar even afstand van nemen en Byrdsy jingle-jangle-pop omarmen, wat aldus resulteert in het fenomenale ‘What You Were Doing’ – dat herinnert aan Teenage Fanclubs klassieker ‘The Concept’ – en het even sterke, maar iets melancholiekere ‘Every Day Is the Worst Day of My Life’. Dan zijn ‘What Happens To A Heart’ en ‘Born To Be Lonely’ opgetuigd met weemoedige strijkersarrangementen en ‘I Don’t Belong To Me’ en ‘Still It’s Not Enough’ opgetrokken uit schitterende meerstemmige zang. 

Samenvattend: anno 2023 is Everything Harmony een meer dan voortreffelijke retro-popplaat.


Everything Harmony. Captured Tracks, 2023. ‘When Winter Comes Along’ | ‘In My Head’ | ‘Corner of My Eye’ | ‘Any Time of Day’ | ‘’What You Were Doing’ | ‘’I Don’t Belong To Me’ | ‘Everyday Is the Worst Day of My Life’ | ‘What Happens To A Heart’ | ‘Still It’s Not Enough’ | ‘Born To Be Lonely’ | ‘Ghost Run Free’ | ‘Everything Harmony’ | ‘New To Me’


zaterdag 17 december 2022

Arctic Monkeys | The Car (2022)

Ergens stond het al in de sterren geschreven dat de Arctic Monkeys nog eens met zo’n magistrale plaat zouden komen. Immers, in 2008 al zette frontman Alex Turner tegenover de frenetieke indierock van de Arctic Monkeys zijn hobbyproject The Last Shadow Puppets en flirtte hij met de orkestrale pop van Scott Walker, de psychedelische folkrock van Love en de geestverruimende postpunk van Julian Cope en zijn Teardrop Explodes. Zo’n veertien jaar later hebben de Arctic Monkeys daar ook een veilige haven gevonden en deze zelfde muzikale legacy volop omarmd. Met als resultaat een klaar meesterwerk. 
The Car bestrijkt klassieke terreinen, van baroque-pop tot classic seventies rock, tot Amerikaanse countrysoul – zoals in het heerlijk zuigende ‘Jet Skis on the Moat’. Het zit hem echter niet alleen in deze variatie, want ook de songs an sich zijn uitermate zorgvuldig geconstrueerd en vooral: bijzonder rijk gearrangeerd en georkestreerd. De opener ‘There’d Better Be A Mirrorball’ is à la Scott Walker zwierig en jubelend, terwijl ‘Sculptures of Anything Goes’ vanwege diezelfde arrangementen onheilszwanger en dreigend klinkt. Schoonheid en pracht uitgedrukt in popmuziek. Wat overigens ook aan dit fenomenale The Car een absolute toevoeging is, zijn de gitaarsolo’s van Jamie Cook, die variëren van de kwakende wah-wah in ‘I Ain’t Quite Where I Think I Am’, de huilende Mick Ronson-gitaar in ‘Body Paint’, het om te janken zo mooie gitaarwerk in titelsong ‘The Car’ en de splijtende solo in ‘Big Ideas’. Arctic Monkeys sluiten met het door herfstige strijkers aangezette ‘Perfect Sense’ inderdaad een perfect album af. The Car is wat popmuziek vermag, en wat het dus tot het beste album van 2022 maakt – want schoonheid prevaleert boven alles.

The Car. Domino, 2022. ‘There’d Better Be A Mirrorball’ | ‘I Ain’t Quite Where I Think I Am’ | ‘Sculptures of Anything Goes’ | ‘Jet Skis on the Moat’ | ‘Body Paint’ | ‘The Car’ | ‘Big Ideas’ | ‘Hello You’ | ‘Mr Schwartz’ | ‘Perfect Sense’


Gepubliceerd in Heaven # 1 2023.

zondag 4 december 2022

The Spongetones | Beat Music

 The Spongetones is een van de onbekendste onbekende bands. The Spongetones hebben nauwelijks enig succes gekend buiten hun woonplaats Charlotte, North Carolina, al had dat anders kunnen lopen – maar dat deed het niet. Even leek het erop alsof ze daadwerkelijk aan het het succes roken, maar dan toch niet; hun debuut-lp had een doorbraak kunnen zijn, maar was dat niet. Welkom in de wereld van de besnorde, bebaarde en als kantoorklerken geklede anti-helden: The Spongetones.

Het kan niet anders dan dat ze beginnen als een Beatles- en Merseybeatcoverband. En daar zijn ze verdomd goed in. Vanaf 1979 spelen ze de cafés plat in hun woonplaats Charlotte. Als zanger-gitarist Jamie Hoover zich inkoopt in The Spongetones komt er ruimte voor eigen composities – al blijven die wel sterk leunen op de middenjarenzestigsound van de British Invasion, met daaraan toegevoegd een snufje punk, powerpop en new wave. 

De Sponge Four bestaan naast ‘Jumpy’ Hoover uit Pat ‘Pud’ Walters, Steve ‘Stiff’ Stoeckel en Rob ‘Rocko’ Thorne, spelen op Vox-versterkers, Rickenbacker-gitaren, Ludwig-drums, een Hohner-bas en een Casio-orgeltje – helemaal jaren zestig – maar dragen wel weer lullige polyester broeken, colbertjes en smalle stropdasjes – helemaal jaren zeventig. We zitten inmiddels wel in de jaren tachtig als de eerste single uitkomt op een lokaal labeltje, ‘You’re the One’; jengelende gitaren en Beatles-samenzang. Op het eveneens lokale label Ripete Records verschijnt de debuut-lp, eenvoudig maar duidelijk getiteld Beat Music. The Spongetones hebben dan wel enigszins het tij mee, want er is na het uitwoeden van de punk hernieuwde aandacht voor sixtiesmuziek en garagerock. Retrobands als The Chesterfield Kings, The Lyres en The Crawdaddys drukken hun neus aan het venster met opwindende rhythm-and-blues; The Spongetones doen dat met een even opwindende Merseybeat-retrosound. Van Beat Music verschijnt er dan ook een lovende recensie in de Rolling Stone. Maar het is te weinig, The Spongetones blijven steken in North Carolina. Voor altijd.

Beat Music is voor sixtieslieshebbers inderdaad een geweldige plaat. Twaalf krap aan drieminuten klokkende popliedjes berstensvol jangly Rickenbacker-gitaren, geweldige samenzang en puike melodieën; Beat Music is een feestje. Beat Music bestaat hoofdzakelijk uit volop meezingbare alternatieve hits, stilzitten, niet met het hoofd meeknikken en zwijgen is bijkans onmogelijk bij pareltjes als ‘Tell Me Too!’, ‘Cool Hearted Girl’, ’She Goes Out With Everybody’, ‘Every Night Is A Holiday’, ‘Don’t You Know?’, ’You’re the One’ en het al even geweldige ‘You Better Take It Easy’. De Sgt. Pepper-Beatles komen ook nog aan bod in de schitterende afsluiter ‘Eloquent Spokesman’. De band is op Beat Music gedreven en doodserieus, maar er sluimert altijd wel een heerlijke retro-knipoog; dit maakt The Spongetones bijzonder – maar nog steeds onbekend. Daar brengt ook de opvolger Torn Apart (1984) geen verandering in. En ook de volgende platen niet; The Spongetones blijven met een zekere regelmaat albums uitbrengen en treden nog steeds op. Ouden van dagen zijn het, met alle respect, inmiddels wel. 

In 2005 verschijnt de 4cd-box Children of Nuggets – met meer dan honderd songs een prachtige staalkaart van de jaren tachtig revival van de garagerock – met daarop maar liefst twee liedjes van The Spongetones. Voorwaar een eerbetoon.


Beat Music. Ripete Records, 1982. ‘Here I Go Again’ | ‘Tell Me Too!’ | ‘Cool Hearted Girl’ | ‘Take My Love’ | ‘A Part of Me Now’ | ‘She Goes Out With Everybody’ | ‘Every Night Is A Holiday’ | ‘Don’t You Know?’ | ‘Where Were You Last Night’ | ‘You’re the One’ | ‘You Better Take It Easy’ | ‘Eloquent Spokesman’


Eerder gepubliceerd in Platenblad # 259

 

dinsdag 29 november 2022

The Bevis Frond | Miasma

In de vroegzomer van 1987 las ik in mijn favoriete undergroundmagazine Bucketfull of Brains over Miasma van The Bevis Frond. De wie? The Bevis Frond, een one man band van een gitarist wiens identiteit – uit een soort bescherming van diens wankele persoonlijkheid, begreep ik – verborgen werd gehouden. Ik las dat de eerste 250 lp’s subiet waren uitverkocht, maar dat de maker er nog 750 op zijn eigen Woronzow Records bij zou laten persen en daarna niks meer. Bucketfull of Brains bood echter een aantal van deze exemplaren te koop aan. Ik stopte 5 pond en 75 pence (voor verzending) in een envelop en na zo’n vijf weken kon ik Miasma op de draaitafel leggen en volledig overvallen worden door een stortvloed van psychedelische gitaren, ronkende feedback en oorpijnigende distortion en een, ja, uitzonderlijk primitieve productie. Onvermijdelijk een cultalbum. 
Londenaar Nick Salomon richt in 1968 zijn eerste band op: The Bevis Frond Museum. De gitarist probeert van alles, maar niets komt van de grond. Ook niet als hij in 1971 solliciteert naar de vacante plek in Procol Harum na het vertrek van gitarist Robin Trower. Het duurt dan een eeuwigheid – punk komt en gaat –  voordat de dertiger Salomon zijn neus aan het venster kan drukken. Er zijn halfslachtige pogingen met The Von Trap Family en Room 13, maar een akelig motorongeluk gooit roet in het eten. Het positieve daaraan is dat Nick Salomon van het verzekeringsgeld instrumenten en opnameapparatuur kan kopen en in zijn eentje zijn in de loop der jaren opgebouwde songs kan opnemen – iets wat hij altijd al had willen doen, louter voor zijn eigen plezier. Het laatste restje verzekeringsgeld gebruikt Salomon om van die in 1986 opgenomen songs een lp te persen, in een oplage van 250 stuks. Bedoeld voor familie en vrienden, en dan wat er overblijft opbergen op zolder. Maar het loopt anders. 
Er blijkt plots een hongerende vraag naar Miasma, die obscure psychedelische plaat. Want waar komt dit vandaan? Miasma is ook nog eens verpakt in een bizarre hoes, getekend door Cyke Bancroft (eens saxofonist in The Von Trap Family) en onmiskenbaar geënt op Bachdenkels Lemmings (1973). En dan de inhoud: psychedelische extravaganza, zonder noemenswaardige productie op de band gekwakt. Maar wel met de impact van een meteorietinslag. ‘She’s in Love with Time’ is gelijk al een sublieme opener met zijn schel rinkelende gitaren en de ‘Eight Miles High’-ragasolo. Het is de opmaat voor een stevige portie acidrock, dwingend overheerst door blaartrekkende gitaarsolo’s, zoals in ‘Splendid Isolation’, ‘Maybe’, ‘Ride the Train of Thought’ en ‘Confusion Days’. In het instrumentale ‘Wild Afternoon’ goochelt Saloman à la ‘Eruption’ van Van Halen met feedback en distortion, is het totaal overstuurde ‘The Newgate Wind’ gezegend met het mooiste gekuch in een rocksong sinds ‘Electric Chair’ van Brother Fox and The Tar Baby uit 1969 en bevindt zich tussen Salomons overdonderende gitaargeweld ook zomaar ‘The Earl of Walthamstowe’, dat met zijn 41 seconden een fijn folky gitaarintermezzootje is dat Tubular Bells van Mike Oldfield in blijde herinnering roept.
Met Miasma begint in 1987 de zegetocht van Nick Salomon en zijn Bevis Frond, het album zelf zal later vele re-issues kennen en The Bevis Frond zal uiterst productief blijken: zo’n beetje jaarlijks voegt Nick Salomon een psychedelische loot aan de stam toe van zijn inmiddels imposante oeuvre. Het zijn telkens albums van misschien wel de grootste underground gitaarheld van de jaren negentig en verder, al is dat wellicht een goed bewaard geheim. Niet verder vertellen.

Miasma. Woronzow Records, 1986. ‘Garden Gate’ | ‘She’s in Love with Time’ | ‘Wild Mind’ | ‘Wild Afternoon’ | ‘Splendid Isolation’ | ‘The Earl of Walthamstowe’ | ‘The Newgate Wind’ | ‘Release Yourself’ | ‘Maybe’ | ‘Ride the Train of Thought’ | ‘Confusion Days’

Eerder gepubliceerd in Platenblad # 248


maandag 28 november 2022

Armageddon | Armageddon

De roots van Armageddon liggen op de prairie van Noord-Texas, in Amarillo. Daar beginnen Mark Creamer (zang, gitaar), James Parker (zang, gitaar), Dallas Smith (bas) en Jon Stark (drums, zang) als The Y’alls. Met z’n allen verkassen ze in 1996 naar Californië, naar Los Angeles. Onder de vleugels van Lee Hazlewood worden The Y’alls The Kitchen Cinq. Die ene lp – Everything But… The Kitchen Cinq –  doet niet zoveel. En als de lieflijke sixties overgaan in de meer heavy seventies, waarvan de moord op het Altamont-festival een van de kantelpunten is, breken er nieuwe tijden aan. En nieuwe tijden vragen om een nieuw geluid; om een harder geluid. En dat heeft Armageddon, al raakt ze wel bassist Smith kwijt – maar die wordt vervangen door Skip Battin.

Armageddon krijgt een contract (voor één plaat) bij Jimmy Bowens Amos Records en bevindt zich daarmee in goed gezelschap van Longbranch Pennywhistle (met daarin Eagles-oprichter Glenn Frey) en Shiloh (met daarin Eagles-oprichter Don Henley). Met als producer hun manager Thom Thacker neemt Armageddon in 1969 een lp op, waarmee de band laat zien en horen de sixties-pop definitief verlaten te hebben en de regionen van de meer stevige rock te betreden. Armageddon is een rockalbum; Armageddon is een rockalbum dat de countryrock van The Byrds en The Band combineert met de heavier sounds van Iron Butterfly. Dat levert geen perfecte plaat op, maar wel een die beslist de moeite waard is. Want volgens wat ik beschouw als het Moby Grape-recept wordt de door elektrische en fuzz-gitaren aangedreven rocksound afgeremd en verzacht door meerstemmige zang en sterke melodielijnen. Zodoende zijn tracks als ‘Armageddon Theme’, ‘Water Lily’, ‘Cold Cold Tracks’, The Lamp’ en het schitterende ‘Cave of the Winds’ zowel duister-opzwepend als van een vreemd-harmonische schoonheid – maar nergens pretentieus. In een poging hun heavyness te benadrukken heeft Armageddon nog wel een cover toegevoegd van Creams ‘Tales of Brave Ulysses’. Allemaal tevergeefs natuurlijk.

Skip Battin verruilt al snel Armageddon voor The Byrds (gelijk heeft-ie) en wordt dan voor wat het waard is vervangen door Robert Ledger. Hij staat dan ook op de hoes, maar ik zei het al: tevergeefs. Armageddon sneeft en dus is Armageddon weer zo’n plaat die de liefhebber (ik) doet watertanden, maar de rest (bijna iedereen) totaal koud gelaten heeft. 


Armageddon. Amos Records, 1969. ‘Armageddon Time’ | ‘Water Lily’ | ‘Another Part of Our Life’ | ‘Come Tomorrow’ | ‘Cold Cold Tracks’ | ‘Cave of the Winds’ | ‘The Lamp’ | ‘Bilbo Baggins’ | ‘Tales of Brave Ulysses’ | ‘The Magic Song’ 


Eerder gepubliceerd in Platenblad # 249


maandag 15 oktober 2018

Ryan Martin | Gimme Some Light

Een dubbel-lp in een klaphoes, met op de voorkant een wat getroebleerde man in een gestrand treinstel. Aan de binnenkant dezelfde man in de herfstige, Amerikaanse natuur. Dit is geen vrolijke frans, nee, dat is Ryan Martin zeker niet: ex-verslaafde, ex-bajesklant en overlever van een zwaar auto-ongeluk. Allemaal materiaal voor een doorleefd americana-album, want dat is Gimme Some Light. Martin groeide op aan de Westkust, maar voelt zich meer thuis in Upstate New York, in de bossen, in de velden. Het Woodstock-idee, zeg maar. Die sfeer spreekt ook uit de zwierige countryrocksongs, uitgevoerd door een imposante band met daarin van alles vertegenwoordigd: gitaar, bas, drums, piano, orgel, mandoline, pedalsteel en blazers, stemmige blazers, dat wel. Over de vier plaatkanten verspreid bevindt zich een gevarieerd aanbod van doorleefde songs. De rake midtempo opener ‘All the Good Men’ is gelijk al een prachtsong en een blauwdruk van het vele moois dat volgt. Martin rockt in ‘Destitute Darlings’, ‘Say You Love Me’ en ‘Adeline’ - met glockenspiel - op een vlotte R.E.M.-manier, wat betekent: stevig jengelende elektrische gitaren. Nog meer gecharmeerd ben ik van de weemoedige, trieste liedjes, zoals ‘Death of Love’, ‘Regular Man’, ‘Be Kind’ en het klein gehouden ‘Parasol’, die geweldig mooi en intens gezongen worden door Martin, niet zelden geholpen door een jankende pedalsteel. In dat opzicht is het dramatische en naar een orkestrale climax gevoerde ‘Ask Your Mother’ misschien wel het hoogtepunt van de schatkamer aan prachtsongs die Gimme Some Light is.

‘All the Good Men’ | ‘Destitute Darlings’ | ‘Death of Love’ | ‘Parasol’ | ‘Say You Love Me’ | ‘Dangerously Unplugged’ | ‘Regular Man’ | ‘Suicide Parade’ | ‘Be Kind’ | ‘Adeline’ | ‘Lepers in Armor’ | ‘Ask Your Mother’ | ‘Real Human Being’ | ‘New England Song’ | ‘The Marchers’ | ‘The Prettiest Girl On This Side of Hell’

Garrett T. Capps | In The Shadows (Again)

We mogen blij zijn dat Garrett T. Capps hier via distributeur Sonic Rendezvous onder de aandacht komt. Capps, een cowboy uit San Antonio, Texas, realiseerde reeds eerder een album, maar dit In The Shadows (Again) is nu voor iedereen beschikbaar. Doe daar je voordeel mee, want deze plaat is simpelweg overrompelend. Naast heerlijke old skool-countryliedjes als ‘Baby Please’ - met sfeervolle cafégeluiden uit een Waffle House - en het titelnummer met B.J. Cole’s wuivende pedalsteel, maakt Garret T. vooral indruk met het weemoedig, golvende en filmische ‘The Insterstate 35 Waltz’, een cover van Christopher Cessac; het welhaast spectoriaanse ‘Dancin’ Hands’; en het uitgesponnen, traag voorttrekkende ‘Trouble’s Callin': 10 minuten-plus en een grandioze afsluiter. Garrett T. Capps heeft niet alleen een vergelijkbare potentie als de reeds gearriveerden Daniel Romano en Sturgill Simpson, maar refereert in ‘Go Home’ bijvoorbeeld ook naar de enigmatische, maar helaas van het podium verdwenen Damon Bramblett. Kortom, met deze man halen we een nieuwe held binnen.

‘Born Into A Ballroom’ | ‘Go Home’ | ‘In the Shadows (Again)’ | ‘The Interstate 35 Waltz’ | ‘Here Right Now’ | ‘Dancin’ Hands’ | ‘Baby Please’ | ‘Harness the Light’ | ‘Trouble’s Callin’’

Rolling Blackouts C.F. | Hope Downs

Hier hebben we toch wel weer iets heel bijzonders te pakken; ik eet mijn schoenzolen op als dit niet een van de beste platen van 2018 is. Wat een geweldige lp! En een debuutalbum…, nou, niet helemaal want Rolling Blackouts Coastal Fever vuurde al twee ep’s af - tezamen goed voor elf liedjes - die de gemoederen al flink verhitten. Maar Hope Downs, het echte debuut van deze vijf jonge jongens uit Melbourne, Australië gaat hoe dan ook de wereld veroveren. 
Rolling Blackouts C.F. leunt sterk op een fijne ouderwetse sound die teruggrijpt naar de jaren tachtig. Rammelende postpunkpop gebaseerd op snelle drumticks en akoestische gitaren, met daaroverheen een spiralerende, kronkelende elektrische gitaar. We komen dan op het terrein van band als The Chills, The Fall, Orange Juice en jawel, The Feelies. De hypnotiserende, nerveuze pop is werkelijk waar een feest, veroorzaakt door de catchy refreintjes, de snappy hooks en droogkloterige zang. Ik ben er nog uit of de knapen superstrak of sloom losjes spelen - vergelijk The Strokes - maar waarschijnlijk is het allebei. Want de Rolling Blackouts stralen zowel tomeloos enthousiasme als een dwarse onnadrukkelijkheid uit. 
En het lijkt allemaal zo moeiteloos; ze spugen er in een kleine 37 minuten tien urgente punkpopliedjes uit, die zonder uitzondering alle van een jaloersmakend hoog niveau zijn, al kan ik alvast wel verklappen dat 'Talking Straight' dé perfecte zomerhit is. In augustus speelden ze op Lowlands; solliciterend naar band van het jaar.

‘An Air Conditioned Man’ | ‘Talking Straight’ | ‘Mainland’ | ‘Time in Common’ | ‘Sister’s Jeans’ | ‘Bellarine’ | ‘Cappuccino City’ | ‘Exclusive Grave’ | ‘How Long?’ | ‘The Hammer’

Israel Nash | Lifted

De neo-hippie en singer-songwriter uit de Ozark Mountains is voorgoed neergestreken in Dripping Springs, Texas. Israel Nash bouwde op zijn ranch een eigen studio, Plum Creek Sound. Met Lifted, zijn vijfde album, speelt Nash dus een thuiswedstrijd, wat hem kennelijk stimuleerde om flink uit te pakken met strijkers, blazers, gospelzang en een heuse spectoriaanse sound. Nash verlaat daarmee een beetje het Neil Young and Crazy Horse-geluid van de magnifieke albums Rain Plains (2013) en Silver Season (2015). De sound is nu atmosferischer, etherischer, zeker door de toevoeging van field recordings - in regentanks opgenomen instrumenten en kikker- en krekelgeluiden. Qua productie en sound is Lifted dan ook Israel Nash’ meest ambitieuze plaat tot zover. Daarbij heeft Nash ook zijn best gedaan goed in het gehoor liggende liedjes te componeren. En daar is hij met even meeslepende als weemoedige songs als ‘Rolling On’, ‘Looking Glass’, ‘Sweet Springs’, ‘Spirit Falls’, ‘The Widow’ en ‘Golden Fleeces’ uitstekend in geslaagd. Lifted is met zijn sterke songs en aanstekelijke melodieën, getoonzet in een majestueus klankbeeld voor Israel Nash een volgende stap in de richting van ja, wereldwijde erkenning.

‘Rolling On’ | ‘Looking Glass’ | ‘Lucky Ones’ | ‘Sweet Springs’ | ‘Spirit Falls’ | ‘Northwest Stars (Out of Tacoma)’ | ‘Hillsides’ | ‘The Widow’ | ‘Strong Was the Night’ | ‘Golden Fleeces’ 

maandag 14 mei 2018

Midland | On the Rocks

Wat is dit? Het lijken wel clichémannetjes in Nudie-suits. En bij nadere beschouwing: dat is ook zo. Maar bij god, wat hebben ze met On the Rocks een heerlijke oldschool countryplaat in de markt gezet. Al heb je als rechtgeaarde alt.country-liefhebber niks op met de hedendaagse gladde country uit Nashville, Tennessee, dan nog ga je voor de bijl voor Midland en hun On the Rocks. Hoe kwamen Mark Wystrach (zang, gitaar, onderbroekenmodel), Jess Carson (zang, gitaar) en Cameron Duddy (zang, bas) elkaar tegen? Wel, ergens in Wyoming, op een huwelijksfeest van een vriend, en nog maar een jaar geleden. En dan kan het snel gaan als wat commerciële boys uit Nashville zich ermee gaan bemoeien. Aldus verschijnt in oktober 2017 het in Nashville opgenomen debuutalbum On the Rocks. 
Hoewel de boys hun eigen nummers schrijven, alles zelf zingen en ook wel wat snaren beroeren, leunen ze zwaar op de pedalsteel, gitaarlicks en drums van ervaren sessie-rotten. Midlands sound is ook nog eens hyper-retro omdat perfect leentjebuur gespeeld wordt bij jaren zestig- en zeventighelden als Merle Haggard, Waylon Jennings en Johnny Paycheck, maar ook bij jaren tachtig-contenders als Dwight Yoakam en Billie Ray Cyrus. Midland richt zich dan ook op standaard-clichématige songs die zijn vervuld van een lach en een traan, en uiteindelijk alleen maar over liefdesverdriet en overmatig drankgebruik gaan. Neem nou ‘Drinking Problem’: People say I got a drinkin’ problem / But I got no problem drinkin’ at all. En: They call it a problem, I call it a solution. Heerlijk, want het aanstekelijke enthousiasme verhult de ingetrapte open deuren en de platgetrapte paden in een geweldige serie klasse-countrysongs; we weten immers dat clichés gewoon waar zijn. Zeker in het Nashville-country-idioom. 
Per saldo zou je dan ook niets anders willen dan in een roadside stand, truckerscafé of - het meest ideaal - in de cabine van een zestientonner, denderend door de Midwest, genieten van de dertien knipogende en tranentrekkende countryliedjes die tezamen Midlands On the Rocks vormen. Classic country number one.

‘Lonely For You Only’ | ‘Make A Little’ | Drinkin’ Problem’ | ‘At Least You Cried’ | ‘Burn Out’ | ‘Out of Sight’ | ‘More Than A Fever’ | ‘Check Cashin’ Country’ | ‘Nothin’ New Under the Neon’ | ‘This Old Heart’ | ‘Altitude Adjustment’ | ‘Electric Rodeo’ | ‘Somewhere on the Wind’

donderdag 29 maart 2018

The Last Of The Easy Riders | Unto The Earth


Zing je zoals The Last Of The Easy Riders doen in ‘Freewheelin’’ over the high lonesome desert, dan is het beslist een pre als je uit Denver, Colorado komt. Unto The Earth is na de debuut-ep uit 2016 eigenlijk de debuutplaat van het vijftal neo-kosmische cowboys - van wie er vreemd genoeg maar vier op de hoes zijn afgebeeld - en wat voor een debuutplaat! The Last Of The Easy Riders graven terug naar het verleden van The Byrds en The Flying Burrito Brothers - met ‘High And Lonesome’ als meest sprekende prachtige voorbeeld - maar herinneren in hun retro-klassieke countryrocksound ook aan recentere bands als Beachwood Sparks en The Allah-Las. Rinkelende Rickenbackers, wuivende pedalsteel en hemelse zang-harmonieën zetten de toon in de negen gave bandcomposities, waar toch vooral de nadruk op het liedje wordt gelegd. Unto The Earth is daarom met heerlijke liedjes als ‘Easy Alameda’, ‘Unto the Earth’, ‘High And Lonesome’ en ‘Woodland Echoes’ een uiterst toegankelijke plaat, waarop countryrock, Westcoast-pop en neo-vintage voortreffelijk samenkomen. Nieuwe helden, deze Last Of The Easy Riders.

‘Freewheelin’’ | ‘Easy Alameda’ | ‘Unto the Earth’ | ‘Turn the Tide’ | ‘High And Lonesome’ | ‘Shadow Cruiser’ | ‘Silver Canyon’ | ‘Woodland Echoes’

zondag 25 maart 2018

Doc Holliday | Song for the Outlaw Live

In 1980 opgericht in Macon, Georgia bewandelt Doc Holliday het smalle pad tussen southern rock en fantasieloze hardrock. Lokaal - in het Zuiden, dus - krijgt de band, vernoemd naar de tuberculose revolverheld, de handen wel op elkaar, maar daar buiten nauwelijks. Als na een serie albums echt succes uitblijft kapt Doc Holliday er aanvankelijk mee, maar toch komt er een hergroepering. Van optredens in het voorjaar van 1988 in North- en South Carolina, Georgia en Virginia worden dan opnamen gemaakt en een album geperst dat echter alleen in Europa op de markt komt. Vanzelfsprekend bevat Song for the Outlaw Live de Doc Holliday-klassiekers, waarvan ‘Southern Man’ een bijzonder klassieke is. Doc Holliday spoedt zich dan rap voorwaarts langs ‘Magic Midnight Lady’, ‘Moonshine Rider’ en ‘Bad Love’ naar de apotheose, het overdreven patriottische maar ook wel bijzonder gave ‘Lonesome Guitar’: Lonesome guitar take me home.  
Het publiek in het Zuiden gaat uit zijn dak, maar dat maakt op zich Song for the Outlaw Live nog geen goeie live-plaat - gegeven de nogal holle en steriele productie. Het is dus, alles overziend, niet een bijzonder live-album, al zulen de fans daar anders over denken. Wel een mooie klaphoes.

‘Last ride’ | Southern Man’ | ‘Doin’ It Again’ | ‘Home Town Sweetheart’ | ‘Song for the Outlaw’ | ‘Ain’t No Fool’ | ‘Magic Midnight Lady’ | ‘Moonshine Runner’ | ‘Bad Love’ | ‘Lonesome Guitar’ 

maandag 19 maart 2018

Dramarama | Cinéma Vérité

Vanuit hun vroege jeugd geïnspireerd door Johnny Cash, Mick Jagger, David Bowie en Lou Reed - en later The Ramones en The New York Dolls - richten John Easdale (zang, gitaar), Chris Carter (bas, productie) en Mark ‘Mr E. Boy’ Englert (gitaar) in 1982, in Wayne, New Yersey, Dramarama op. De band spuugt er een aantal singles uit op het piepkleine Questionmark-label, maar dan is er aandacht vanuit Europa, van New Rose Records. Dramarama neemt dan voor het Franse label hun debuut-lp op. 
Cinéma Vérité is - uitgebracht in 1985 - dit album, dat is opgetrokken uit sterke powerpopsongs als ‘Visiting the Zoo’, ‘Questions’, de vroege single ‘Anything, Anything’ en ‘Transformation’, maar ook eer betoont aan de klassiekers - wat betekent gave covers van Lou Reeds ‘Femma Fatale’ en David Bowie’s ‘Candidate’. Cinéma Vérité is, uitgerust met een hoesfoto van Andy Warhol-akoliet Gerard Malanga, een citaat van superheld Batman en een portie gave rocksongs, niettemin toch - zowel in Amerika als Europa - een jammerlijke mislukking. Dramarama is geen naam die beklijft; aan het eind van de lijn - en dat is al in 1993 - is er niets van de band over; ook geen herinnering.

‘Visiting the Zoo’ | ‘Questions’ | ‘Scenario’ | ‘Anything, Anything’ | ‘Femme Fatale’ | ‘Candidate’ | ‘Some Crazy Dame’ | ‘Etc.’ | ‘Transformation’ | ‘All I Want’ | ‘Emerald City’

maandag 12 maart 2018

Jonathan Wilson | Rare Birds

Wellicht kan Jonathan Wilson beschouwd worden als een indie-superster. Met Gentle Spirit in 2012 en Fanfare in 2013 maakte hij namelijk schitterende albums. Aanvankelijk liet Wilson zich zien als een Westcoast-troubadour à la Neil Young of Jackson Browne, maar op Fanfare sloeg hij zijn vleugels ten volle uit. Wat zou Wilsons vierde album ons brengen? Jonathan Wilson is een drukbezet man. Hij produceerde albums van Dawes en Father John Misty en ging op wereldtournee met Pink Floyds Roger Waters, als gitarist in zijn begeleidingsband. En dat is te horen op het grootse Rare Birds. De epische opener ‘Trafalgar Square’ (what’s in a name) had namelijk zomaar afkomstig kunnen zijn van The Pros And Cons Of Hitch Hiking. En zo breidt Wilson zijn muzikale speelveld uit naar Britse seventies en eighties rock. Sound en productie van Rare Birds zijn ronduit voortreffelijk - laat dat maar aan Wilson over - een transparant jaren zeventig geluid, waarin de retro-artiest die Wilson is uitstekend gedijt. Met de gastbijdragen zit het ook goed, onder wie Lana Del Rey, Josh Tillman, Greg Leisz (pedalsteel) en Joey Waronker (drums). Opvallend zijn de songs ‘Over the Midnight’ en ‘Loving You’ die een soort van War On Drugs-drive bezitten, maar voor het overige is Jonathan Wilson zijn geniale zelf, die uitblinkt in machtige composities als ‘Me’, ‘Sunset Blvd’, ’49 Hair Flips’, titelsong ‘Rare Birds’ en het Peter Gabriel-achtige ‘Living With Myself’. Het derde spannende, voortreffelijke album op rij, dit Rare Birds - en prachtig uitgevoerd als dubbelaar op goudkleurig vinyl.

‘Trafalgar Square’ | ‘Me’ | ‘Over the Midnight’ | ‘There’s A Light’ | ‘Sunset Blvd’ | ‘Rare Birds’ | ’49 Hair Flips’ | ‘Miriam Montague’ | ‘Loving You’ | ‘Living With Myself’ | ‘Hard To Get Over’ | ‘Hi-Ho the Righteous’ | ‘Mulholland Queen’

In gewijzigde vorm gepubliceerd in Mania nr. 345.

woensdag 7 maart 2018

The Cult | Love

Voorbij de punk en de postpunk is daar in 1982 positive punk; een kortstondige hype in de kelders van de Londense muziekscene. Het pathetische gedweep met vampiers, vleermuizen en voodoo terzijde, beslist interessant zijn bands als Sex Gang Children en The Southern Death Cult. De laatste wordt geleid door Ian Astbury, die geïnspireerd door de indiaanse cultuur en getooid met een mohawkkapsel de aandacht trekt. The Southern Death Cult wordt in no time een hype, maar als het kwartet 100.000 pond geboden wordt door zowel EMI als CBS, trekt bandleider Astbury aan zijn stutten. 
Astbury sluit vriendschap met ex-Theatre Of Hate-gitarist Billy Duffy en samen gaan zij verder als Death Cult, dat overigens slechts een ep en een single uitbrengt. Maar het partnerschap van Astbury en Duffy – een klassieke zanger-gitarist-tandem à la Jagger/Richards, Plant/Page en Tyler/Perry – bestendigt, want in januari 1984 is daar het definitieve vehikel: The Cult. Het debuut Dreamtime is in 1984 al een prachtplaat; de keldergalm is vervangen door trotse, bevlogen rock die hint naar U2. Astbury is de onstuitbare zanger met de melodramatische bariton, partner Duffy de pragmatische en briljante gitarist. Het duo wordt begeleid door bassist Jamie Stewart en drummer Nigel Preston. Het volgende album wensen Astbury en Duffy op te nemen met Steve Lillywhite, maar per abuis wordt het een andere Steve: Wham!-producer Steve Brown. Met Preston wordt nog de single 'She Sells Sanctuary' opgenomen, voor het overige worden de drumpartijen ingespeeld door Big Country's Mark Brzezicki. In Engeland wordt 'She Sells Sanctuary' in de zomer van 1985 een hit; in Nederland wordt de gedreven rocksong veelvuldig op de radio gedraaid, maar tip- noch hitparade wordt bereikt. Het album Love betekent wél een bescheiden doorbraak in Nederland. En terecht, want een gedreven gitaaralbum, aangewakkerd door passie, spiritualiteit en liefde. Muzikaal schuift The Cult op naar de klassieke rock van Led Zeppelin en Free, maar Duffy's gitaarsound, een beetje geleend van Big Country, klinkt moderner. Duffy blijkt een veelzijdige gitarist, getuige de monsterriff op titelnummer 'Love', het Hendrix-achtige gitaarspel op 'Phoenix' en de gloedvolle tremolo-sound op het weergaloze 'Black Angel'. Catchy en gedreven rocksongs, in het spoor van 'She Sells Sanctuary', zijn er in 'Nirvana', 'Rain', 'Hollow Man' en 'Revolution', terwijl 'Brother Wolf, Sister Moon' de barokke powerballad is waarin Astbury tot grote hoogten stijgt. Dit is schitterende rockmuziek; kracht bijgezet door de bloemetjes, kralen, paisley-motiefjes en de symbolen op de hoes. Dit alles tezamen maakt van Love een kleurrijk, neo-psychedelisch en hartstochtelijk hard rockend album.
Het succes van Love in Nederland wordt in 1986 bekroond met een optreden op Pinkpop. Het wereldwijde succes van The Cult wordt een jaar later bestendigd met het door Rick Rubin geproduceerde Electric, dat in 1989 gevolgd wordt door Sonic Temple. Dan is The Cult in Amerika een stadion-act en baden Astbury en Duffy in rijkdom, en dompelen zich onder in excessen, alcohol en drugs. Prachtige albums als Dreamtime, Love en Electric ten spijt, The Cult verwordt in de jaren negentig jammerlijk tot een soort van rock-'n-roll circusact. 

Nirvana / Big Neon Glitter / Love / Brother Wolf, Sister Moon / Rain / Phoenix / Hollow Man / Revolution / She Sells Sanctuary / Black Angel

zondag 4 maart 2018

Ducks Deluxe | Taxi to the Terminal Zone

Wellicht staat het niet in het geheugen van de muziekliefhebber gegrift, maar Ducks Deluxe was in 1972 een niet van importantie gespeende rock-’n-rollband, want wegbereiders van pubrock en punk. Sean Tyla (zang, gitaar), Martin Belmont (gitaar), Nick Garvey (bas) en Tim Roper (drums) zijn ex-roadies van bands als Man, Brinsley Schwarz en Help Yourself en gaan met hun aardse rock-’n-roll de straat op en de pub in. Getekend bij RCA is Ducks Deluxe’s eerste single in 1973 het fantastische ‘Coast to Coast’. 
Het eerste album, Ducks Deluxe, laat in 1974 nog een sound horen die alle kanten opgaat, van Beatles-pop tot countrysoul, maar de opvolger moet anders - zo eisen ook de bobo’s van RCA. Onderwijl is pianist en organist Andy McMaster ingelijfd om een royalere en misschien wel commerciëlere sound te bewerkstelligen. Voor de opnamen van dit tweede album reist de band af naar de Rockfield Studios in Wales, alwaar Dave Edmunds de scepter zwaait. Het levert een coherentere sound op, maar af en toe ook een gladdere sound. Taxi to the Terminal Zone is Ducks Deluxe op zijn gepolijst - zeker in McMasters ‘Love’s Melody’, al heeft dit wel weer een enorme hitpotentie. Dave Edmunds heeft inderdaad voor een sound gezorgd waar de scherpe randjes wat af zijn, al dreint McMasters orgeltje erg lekker, maar het geheel is in 1975 niettemin een klassieke pubrockplaat, met lekker swingende pubrocksongs als ‘Cherry Pie’, ‘It Don’t Matter Tonite’, ‘Woman of the Man’ en ‘Teenage Head’, een cover van The Flamin’ Groovies. In een trager tempo - maar minstens zo fijn - voltrekken zich liedjes als ‘Rainy Night in Kilburn’, ‘I’m Crying’ en het countryeske ‘Rio Grande’ - met op pedalsteel Dave Edmunds. Ducks Deluxe is hier de gelijke van grotere broertje Brinsley Schwarz, waarmee Taxi to the Terminal Zone de vergelijking aankan met Silver Pistol of Nervous on the Road.
Grote kans dat de RCA-bonzen tevreden zijn over het resultaat, maar de bandleden nemen de titel van het album iets te serieus; zij snellen naar het einde van Ducks Deluxe. Het afscheidsconcert vindt dan ook al op 1 juli 1975 plaats in London’s 100 Club aan Oxford Street. Maar geen nood, want de bandleden duiken vervolgens weer op; in Tyla’s Gang, The Motors en Graham Parker and the Rumour.

‘Cherry Pie’ | ‘It Don’t Matter Tonite’ | ‘I’m Crying’ | ‘Love’s Melody’ | ‘Teenage Head’ | ‘Rio Grande’ | ‘My My Music’ | ‘Rainy Night in Kilburn’ | ‘Woman of the Man’ | ‘Paris 9’

vrijdag 23 februari 2018

Cartoone | Cartoone

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen Led Zeppelin en het totaal onbekende Cartoone. Beide bands kwamen namelijk onder contract bij het Amerikaanse Atlantic, dat in 1968 naarstig op zoek was naar Brits muzikaal talent; er wordt beweerd dat ze zelfs op dezelfde dag hun contract tekenden. Hun beider debuutalbums verschenen in januari 1969. En op beide platen speelt Jimmy Page mee. 
Cartoone komt voort uit The Chevlons, een beatgroep uit Glasgow. In 1968 verruilen ze Schotland voor Londen, en via zangeres Lulu komen Derek Creigan (zang, bas), Mike Allison (gitaar, zang), Mo Trowers (gitaar, zang) en Charlie Coffils (drums, zang) aan een contract bij het fameuze Atlantic voor twee albums. De opnamen vinden eind ’68 plaats in Londen, met als ‘Guest Artist’ Jimmy Page. Het gelijknamige album kent in liedjes als ‘Knick Knack Man’ en ‘Ice Cream Dreams’ - met fraaie samenzang - gave voorbeelden van Britse eind jaren zestig poppsychedelica. ‘A Penny for the Sun’ is de tweede single, vanzelfsprekend poppy, maar ook bijna easy listening. ‘Withering Wood’ is een heerlijk dromerige folkballad versierd met orkestrale arrangementen, en ‘I’ll Stay’ en het sterke ‘Let Me Reassure You’ laten de rockkant van Cartoone zien.
Cartoone wordt in januari 1969 wereldwijd uitgebracht en in april van dat jaar gaat de band naar Amerika om het voorprogramma van Led Zeppelin te verzorgen. Als Cartoone net uit Amerika teruggekeerd is, komt het bericht dat het voor Atlantic allemaal niet meer hoeft en dat dat tweede album er ook niet meer komt. Hier houden de vergelijkingen met Cartoone’s labelgenoten op: terwijl Led Zeppelin op wereldroem afstevent, is Cartoone gecrasht.

‘Knick Knack Man’ | ‘Withering Wood’ | ‘The Sadness of Toby Jugg’ | ‘A Penny for the Sun’ | ‘I’ll Stay’ | ‘Girl of Yesterday’ | ‘I Can’t Walk Back’ | ‘Let Me Reassure You’ | ‘Mr. Poor Man’ | ‘Ice Cream Dreams’ | ‘Doing What Mamma Said’ | ‘See Me’