donderdag 13 september 2012

Frankie Miller | Once In A Blue Moon

Hij is beroemd om zijn schuurpapieren stem, maar daarnaast is Frankie Miller een begenadigde songsmid die liedjes schrijft op het snijvlak van soul, country en blues. Als Miller in 1970 verhuist van Glasgow naar Londen en optredens doet in het pubcircuit, wordt hij ontdekt door Procol Harum-gitarist Robin Trower. Deze lijft hem in bij zijn nieuwe groep Jude, maar begin '72 is Frankie weer in z'n eentje, al heeft hij er wel een platencontract bij Chrysalis aan overgehouden en wordt hij voor de opnamen van zijn debuutplaat gekoppeld aan Brinsley Schwarz. Opgenomen in de Rockfield Studios in Wales en geproduceerd door Brinsley-manager Dave Robinson, is Once In A Blue Moon een staaltje excellente rootsrock. De begeleiding door de Brinsleys is voortreffelijk; ruimtelijk, droog en uitermate soulvol door Bob Andrews' Hammond-orgel en de gitaarlicks van Ian Gomm en Brinsley Schwarz. Nick Lowe zorgt samen met een gospel-achtig dameskoortje voor heerlijke achtergrondzang; dit alles vormt de perfecte begeleiding voor Millers briljante zang. Swingende liedjes als 'You Don't Need To Laugh (To Be Happy)', 'It's All Over' en 'In Noresistance', evenals de magnifieke soulballads 'I Can't Change It' en 'After All (Live My Life)' zijn dan ook schitterend uitgevoerd en bezwangerd met geweldige melodieën bovendien. Al op zijn debuut klinkt de dan 22-jarige Miller volgroeid en uitermate zelfverzekerd; Once In A Blue Moon is gelijk een meesterwerkje van formidabele rootsrock.

You Don't Need To Laugh (To Be Happy) / I Can't Change It / Candlelight Sonata / Ann Eliza Jane / 'It's All Over / In Noresistance / After All (Live My Life) / Just Like Tom Thumb's Blues / Mail Box / I'm Ready

dinsdag 11 september 2012

Wymond Miles | Under The Pale Moon



Wie zijn platen liefheeft van Echo & The Bunnymen, The Church en Modern English, kan dertig jaar na dato ook terecht bij Wymond Miles en diens prachtige debuut Under The Pale Moon. Miles is sinds 2008 gitarist in de garagepopband The Fresh & Onlys uit San Francisco, maar met dit solo-avontuur tapt hij uit een totaal ander vaatje. Wymond Miles, die al eerder op de ep Earth Has Doors zijn voorkeuren voor David Bowie, Scott Walker en atmosferische postpunk etaleerde, voert zijn fascinatie vooral voor de laatste verder door op zijn volwaardige debuutplaat. Miles zingt met dramatische stem à la Ian McCullough zijn romantische liedjes en weet zich begeleid door tomtommende drums, ronkende bassen, dreigende synths en akoestische en reverb-gitaren. Under The Pale Moon – een verwijzing naar Echo's 'The Killing Moon'? – laat zich beluisteren als een boeiende trip door een melancholiek en somber klanklandschap met daarin opvallend fraaie liedjes. Grandeur en bloedrode stemmigheid kenmerken de veelal schitterende moody popsongs, waarvan 'Pale Moon', 'Singing The Ending', 'Youth's Lonely Wilderness', 'Badlands' en de tristesse van de afsluitende ballad 'Trapdoors & Ladders' zich kunnen meten met het beste van de jaren tachtig moodrock. Aldus past Under The Pale Moon perfect in het rijtje van – kent u ze nog? – Crocodiles, The Blurred Crusade en After The Snow. Wymond Miles kent zijn postpunk-klassiekers in ieder geval wel.


Strange Desire / Pale Moon / Singing The Ending / Run Like The Hunted / Youth's Lonely Wilderness / The Thirst / You & I Are The Night / Lazarus Rising / Badlands / Trapdoors & Ladders

zondag 9 september 2012

The Prisoners | The Wisermiserdemelza

De Medway is een zijarm van de Theems en naamgever van een muzikale stroming. The Medway Scene ontstaat aan het eind van de jaren zeventig en is meer mod- en garagerock gericht dan punk. Billy Childish en zijn Milkshakes moeten beschouwd worden als de aartsvaders van de scene, maar als zo vaak zijn het de jongere neefjes die met de interessantste muziek voor de dag komen: The Prisoners dus. Opgericht in 1980 door vier schoffies die bij elkaar op school zitten, komen The Prisoners pas goed op gang als Graham Day zijn songschrijverskwaliteiten ontdekt en – nog belangrijker – als schoolgenoot Jamie Taylor toetreedt. In 1982 bestaan The Prisoners dan uit zanger-gitarist Graham Day, toetsenwonder Jamie Taylor, bassist Alan Crockford en drumbeest Johnny Symons. Net als The Milkshakes spelen The Prisoners primitieve rhythm & blues en garagepunk, maar door de komst van Taylor krijgt de monochrome stijl veelkleurige facetten. Psychedelica doet zijn intrede. Na het zelfgefinancierde debuut A Taste Of Pink en een serie optredens in de legendarische Hope & Anchor, krijgen The Prisoners een contract aangeboden bij het in jaren zestig garagerock gespecialiseerde Big Beat. De platenbazen voorzien een probleem om op juiste wijze het rauwe keldergeluid van The Prisoners vast te leggen. Om dit te tackelen schuift Big Beat ex-Radiator (en later Pogues-lid) Philip Chevron naar voren. Chevron en The Prisoners krijgen een week om in de Londense ICC-studio een album op te nemen. The Prisoners stáán erop hun materiaal in één take, live dus, op te nemen. Het lukt Chevron niet de band te overtuigen om overdubs te gebruiken, vooral Graham Day verzet zich tegen het afzonderlijk opnemen van zijn stem: ‘I told him to fuck off.’ Hoe dan ook, The Prisoners blijven een bijzonder opwindende band – zeker op The Wisermiserdemelza. De pure garagepunk blijkt ingeruild voor een meer psychedelische sound – à la The Small Faces. Organist Jamie Taylor excelleert in nummers als ‘Hurricane’ en ‘Far Away’ met zijn soulvolle Hammond-spel, terwijl zijn hamerende piano het schitterende ‘Tonight’ opzweept. Graham Day heeft, naast een geweldige strot, een gave hand van schrijven; dynamische stompers als ‘Somewhere’ en ‘Here Come The Misunderstood’ blazen het dak er bijna af – mede door het enthousiaste gehak van drummer Symons. Ook als The Prisoners het tempo drukken ontstaat er iets moois, zoals in ‘The Dream Is Gone’ en in ‘Think Of Me’. Maar hoe goed The Wisermiserdemelza ook is en hoe goed de in Star Treck-tunieken gehulde Prisoners live ook zijn, Engeland is niet rijp voor neo-psychedelica van eigen bodem. The Prisoners profiteren enigszins als een paar jaar later de Amerikaanse gitaargolf Europa overspoelt, maar gemakkelijk is het niet. Zelfs niet met naamswisselingen als The Primemovers en The Solarflares. Misschien was The Wisermiserdemelza een goede naam geweest; een uitstekende plaat is het in ieder geval wél.

Go Go / Hurricane / Somewhere / Think Of Me / Love Me Lies / Tonight / Here Come The Misunderstood / The Dream Is Gone / For Now And Forever / Unbeliever / Far Away / Go Go (Reprise)

zaterdag 8 september 2012

Madrugada | Industrial Silence

In 1995 verlaten de vier jongens van Madrugada de leegte en het isolement van het uiterste noorden van Noorwegen en vestigen zich in Oslo. De bandleden verruilen de letterlijke brede horizon voor de mogelijkheid hun muzikale horizon te verbreden. Op kosten van hun studiefinanciering betrekken Silver Høyem (zang), Robert Burås (gitaar), Frode Jacobson (bas) en Jon Lauvland Pettersen (drums) een flat in Oslo en leven op een dieet van The Doors, Joy Division, Nick Cave and the Bad Seeds en vooral The Gun Club.
Een demo van de roadsong 'Strange Colour Blue' trekt in 1998 de aandacht van de Noorse vestiging van Virgin, die de band dan ook voor zes albums contracteert, waarna het viertal vanwege de mystieke uitstraling de bandnaam Madrugada – Spaans voor ochtendgloren – adopteert. In de analoge Athletic Sound-studio, bezuiden Oslo, nemen de vier in een periode van drie maanden hun intense gitaarsongs op, spaarzaam opgefleurd met pedal steel, Hammond en Fender Rhodes. Dan worden de opnamen in New York gemixt door topproducer John Agnello (Screaming Trees, Dinosaur Jr., Son Volt) en ligt Industrial Silence in september 1999 in de Noorse platenwinkels.
Industrial Silence wordt gekenmerkt door nachtelijke romantiek, broeierige tensie en een duistere atmosfeer; 'Vocal', 'Shine', 'Sirens' en 'Electric' getuigen daar bij uitstek van. Naast deze angstaanjagend traag kruipende songs offreert Industrial Silence krachtige roadsongs met een magnetiserende drive als 'Beautyproof', 'Salt' en 'Belladonna'. 'Strange Colour Blue' is niettemin met zijn gejaagdheid het spannende, schitterende scharnierpunt van Industrial Silence: Oh everybody's sleeping now / In industrial silence / And the rain it will keep hammering down overhead / There's a blue, blue, a strange colour blue. De hoofdrollen zijn onmiskenbaar voor Høyems imposante bariton en Burås' veelzijdige gitaarspel; zij maken van een sterk album een fantastisch album – wat Industrial Silence eenvoudigweg is. In Noorwegen stijgt Industrial Silence direct naar de nummer 1-positie in de verkooplijsten, wat voor Virgin een reden is Madrugada's debuut internationaal te releasen. Een eclatant succes, waarop Madrugada met het uitbrengen van sterke opvolgers succesvol voortborduurt.
In 2007 slaat het noodlot echter toe als gitarist Robert Burås dood in een hotelkamer wordt aangetroffen. Voor de rest van de band is het onmogelijk door te gaan: op 15 november 2008 speelt Madrugada in Oslo haar afscheidsconcert.

Vocal / Beautyproof / Shine / Higher / Sirens / Strange Colour Blue / This Old House / Electric / Salt / Belladonna / Norwegian Hammerworks Corp. / Quite Emotional / Terraplane

donderdag 6 september 2012

Quicksilver Messenger Service | Quicksilver Messenger Service

In 1964 richt folkzanger Chester Powers Quicksilver Messenger Service op. Powers heeft dan onder de naam Dino Valenti al jarenlang het koffiehuizencircuit van Greenwich Village afgestroopt. In San Francisco gaat hij een verbond aan met Gary Duncan (gitaar, zang), John Cipollina (gitaar), David Freiberg (bas,zang), Jim Murray (zang) en Greg Elmore (drums). Quicksilver Messenger Service speelt in de talloze clubs in San Francisco en in de Bay Area en ontwikkelt gaandeweg zijn psychedelische sound van uitgesponnen gitaarsolo’s, geestverruimende songstructuren en zweverige songteksten. Met The Grateful Dead en Jefferson Airplane behoort Quicksilver Messenger Service tot de voorhoede van de acid-rock en gezamenlijk vormen zij het uithangbord van de hippiecultuur van Haight-Ashbury. Dino Valenti neemt dit nogal letterlijk, want rond 1965 wordt Valenti gearresteerd wegens drugsbezit. In zijn proeftijd wordt hij opnieuw opgepakt en dus draait hij voor jaren de gevangenis in. Ondertussen tekent zijn band, als laatste van de grote San Francisco-hippiebands, een contract met een platenlabel. Jim Murray is dan uit de band vertrokken, waardoor het viertal Cipollina, Freiberg, Elmore en Duncan overblijft en de laatste de zanger van de band wordt. De debuutplaat van Quicksilver Messenger Service verschijnt in een door de befaamde graficus Rick Griffin getekende hoes. Het kwartet is beïnvloed door jazz, country en de rock-‘n-roll van Bo Diddley. Het meest kenmerkende aan de psychedelische sound zijn echter de gitaar-suites die minutieus worden opgebouwd door de gitaristen Cipollina en Duncan. Op de zelfgetitelde debuut-lp komt dit het best tot uitdrukking in de geïmproviseerde en jazzy instrumentals ‘Gold And Silver’ en het eindeloze ‘The Fool’. De vocale stukken zijn echter zeer sterk, omdat Quicksilver Messenger Service de klassieke invloeden van folk en country aanwenden voor het maken van echte liedjes. De elektrische folkrock van ‘Pride Of Man’ – een cover van folkzanger Hamilton Camp – is fantastisch, evenals de gedegen bandcomposites ‘Light Your Windows’ en de liefdevolle boodschap aan de voorman in de gevangenis: ‘Dino’s Song’. Dat dit geweldige debuut van Quicksilver Messenger Service niet de status heeft die het verdient, komt louter door de opvolger Happy Trails. Deze Diddley-cover, uitgesmeerd over een gehele plaatkant, heeft helaas het zicht ontnomen op de psychedelische, kosmische rock van het prachtige debuut dat Quicksilver Messenger Service absoluut is.


Pride Of Man / Light Your Windows / Dino’s Song / Gold And Silver / Too Long / The Fool

woensdag 5 september 2012

For Against | Coalesced

For Against is een wonderlijk atmosferische hybride van Amerikaanse gitaarpop en Britse postpunk. Onbekend gebleven en tamelijk obscuur – ondanks de heldere, twinkelende gitaarsound – is de band rond zanger/bassist Jeffrey Runnings en afkomstig uit het muzikaal onbetekenende Lincoln, Nebraska een bijzonder fenomeen. Halverwege de jaren tachtig opgericht stroomt de band mee op de gitaarsound van bands als R.E.M., Dumptruck en The Connells, maar betoont zich evenzeer schatplichtig aan de ruimtelijke postpunk van bands als The Sound en The Chameleons. For Against verbindt – net als de majesteitelijke pracht van The Church – met groot gemak beide werelden. Het brengt de band, onderhevig aan bezettingswisselingen, echter niet verder dan het Amerikaanse Midwesten. Na vijf cd's wordt het in 1997 dan ook angstig stil, waarna For Against na een pauze van vijf jaar in 2002 glorieus voor de dag komt met het pronkstuk Coalesced; een muzikaal mirakel van waanzinnige melodieën, prachtig gezongen door Runnings en voorzien van golvend, jengelend en opzwepend gitaarspel van Steven Hinrichs. Coalesced bevat, met toepassing van deze ideale receptuur, feitelijk louter hoogtepunten. Gedrenkt in echo, reverb en melancholie zijn gitaarliedjes als 'Medication', 'So Long', 'Fuel', 'Coalesced', 'Outside A Heart' en 'Shelflife' bitterzoete parels die glimmen en glinsteren – en die in de great scheme of things een beter lot verdienen dan wat ze uiteindelijk ten deel is gevallen. Coalesced bereikt dan ook allerminst het publiek dat in een betere wereld dit schitterende album, dit kleine wonder van gitaarpop, royaal omarmd zou hebben. Desondanks ploetert For Against onverdroten voort – en levert steevast ronduit fraaie platen af.

Medication / So Long / Fuel / Coalesced / Outside A Heart / Shelflife / Love You

zondag 2 september 2012

John Murry | The Graceless Age



In 2006 verschijnt John Murry op het muzikale podium als hij samen met singer-songwriter-veteraan Bob Frank World Without End uitbrengt, een cd met grimmige southern murdersongs. Dan nog put Murry – afkomstig uit Tupelo, Mississippi en een verre nazaat van de geniale schrijver William Faulkner – uit de rijke zuidelijke geschiedenis van verraad, racisme en moordzucht, maar zo'n zes jaar later zijn de beklemmende songs op diens solodebuut vooral gebaseerd op zijn eigen rampspoed. The Graceless Age verhaalt op een pijnlijk eerlijk manier over hoe John Murry gevaren is. In 2009 ziet de tweede Frank/Murry-plaat het licht, maar Murry, woonachtig in San Francisco, heeft zich dan verloren in drank en heroïne. Hij raakt daardoor zijn vrouw kwijt en meer nog: een overdosis met als gevolg een klinische dood van meerdere minuten. Maar Murry overleeft. Van die gebeurtenis vertelt hij in het even macabere als poëtische Little Colored Balloons – daar waar de heroïnebolletjes in werden verpakt – met zijn bijna tien minuten het centrale stuk op The Graceless Age. De negen overige songs, geproduceerd door de in juni overleden producer Tim Mooney en met bijstand van onder meer Chuck Prophet, singer-songwriter Ryan Auffenberg en pedal steel-speler Tom Heyman, betreden het terrein waar gebutste zielen als Warren Zevon en Mark Eitzel zich thuis voelen. Schurende gitaren, mineure piano-akkoorden en angstaanjagende interludes maken van The Graceless Age een confronterend en verontrustend album, dat desondanks in fenomenale songs als Photograph – à la American Music Clubs Everclear – Things We Lost In The Fire en Southern Sky een onvoorstelbare schoonheid kent. Het even voortreffelijke ¿No Te da Ganas De Reir, Sènor Malverde? wordt gedragen door een puur louterend refrein: What keeps my alive, is gonna kill me in the end / 'Cos nobody's baby is everybody's friend. Tot slot wordt dit simpelweg geniale album uitgeluid door Thorn Tree In The Garden, een prachtige cover van de schromelijk ondergewaardeerde Bobby Whitlock. Het draagt bij aan de schoonheid van The Graceless Age, een duister, gevaarlijk rockalbum dat niettemin eerlijk, ontwapenend en puur overrompelend is. Een plaat voor de jaarlijstjes.


The Ballad Of The Pajama Kid / California / Little Coloored Balloons / Photograph / Things We Lost In The Fire / ¿No Te da Ganas De Reir, Sènor Malverde? / Southern Sky / If I'm To Blame / Penny Nails / Thorn Tree In The Garden